לַמְנַצֵּחַ אֶל הַנְּחִילוֹת מִזְמוֹר לְדָוִד:
Voor de koorleider, bij fluitspel, een lied van David.
אֲמָרַי הַאֲזִינָה יְהוָה בִּינָה הֲגִיגִי:
Neem mijn woorden ter ore, o Eeuwige; let op mijn overpeinzing.
הַקְשִׁיבָה לְקוֹל שַׁוְעִי מַלְכִּי וֵאלֹהָי כִּי אֵלֶיךָ אֶתְפַּלָּל:
Luister naar de stem van mijn roepen, mijn Koning en mijn God, want tot U zal ik bidden.
יְהוָה בֹּקֶר תִּשְׁמַע קוֹלִי בֹּקֶר אֶעֱרָךְ לְךָ וַאֲצַפֶּה:
O Eeuwige, in de morgen zult Gij mijn stem horen; in de morgen zal ik [mijn gebed] tot U richten en uitzien.
כִּי לֹא אֵל חָפֵץ רֶשַׁע אָתָּה לֹא יְגֻרְךָ רָע:
Want Gij zijt geen God die behagen heeft in goddeloosheid; het kwade vertoeft niet bij U.
לֹא יִתְיַצְּבוּ הוֹלְלִים לְנֶגֶד עֵינֶיךָ שָׂנֵאתָ כָּל פֹּעֲלֵי אָוֶן:
De verdwaasden zullen niet bestaan voor Uw ogen; Gij haat alle bedrijvers van ongerechtigheid.
תְּאַבֵּד דֹּבְרֵי כָזָב אִישׁ דָּמִים וּמִרְמָה יְתָעֵב יְהוָה:
Gij verdelgt de leugensprekers; van de man van bloed en bedrog heeft de Eeuwige een afschuw.
וַאֲנִי בְּרֹב חַסְדְּךָ אָבוֹא בֵיתֶךָ אֶשְׁתַּחֲוֶה אֶל הֵיכַל קָדְשְׁךָ בְּיִרְאָתֶךָ:
Maar ik, door Uw grote goedertierenheid, zal Uw huis binnentreden; ik zal mij neerbuigen naar Uw heilige Tempel in ontzag voor U.
יְהוָה נְחֵנִי בְצִדְקָתֶךָ לְמַעַן שׁוֹרְרָי (הושר) הַיְשַׁר לְפָנַי דַּרְכֶּךָ:
O Eeuwige, leid mij in Uw gerechtigheid; vanwege hen die mij belagen, maak Uw weg recht voor mij.
כִּי אֵין בְּפִיהוּ נְכוֹנָה קִרְבָּם הַוּוֹת קֶבֶר פָּתוּחַ גְּרוֹנָם לְשׁוֹנָם יַחֲלִיקוּן:
Want in zijn mond is geen oprechtheid; in hun hart is verderf; hun keel is een open graf; zij maken hun tong glad.
הַאֲשִׁימֵם אֱלֹהִים יִפְּלוּ מִמֹּעֲצוֹתֵיהֶם בְּרֹב פִּשְׁעֵיהֶם הַדִּיחֵמוֹ כִּי מָרוּ בָךְ:
Verklaar hen schuldig, o God; laat hen vallen door hun eigen raadslagen; stort hen neder in de menigte van hun overtredingen, want zij zijn tegen U opstandig geweest.
וְיִשְׂמְחוּ כָל חוֹסֵי בָךְ לְעוֹלָם יְרַנֵּנוּ וְתָסֵךְ עָלֵימוֹ וְיַעְלְצוּ בְךָ אֹהֲבֵי שְׁמֶךָ:
En laat allen die bij U schuilen zich verheugen; mogen zij eeuwig jubelen, en Gij zult hen beschermen, en laat allen die Uw Naam liefhebben in U juichen.
כִּי אַתָּה תְּבָרֵךְ צַדִּיק יְהוָה כַּצִּנָּה רָצוֹן תַּעְטְרֶנּוּ:
Want Gij, o Eeuwige, zult de rechtvaardige zegenen; met welbehagen zult Gij hem omringen als met een schild.