לַמְנַצֵּחַ בִּנְגִינוֹת עַל הַשְּׁמִינִית מִזְמוֹר לְדָוִד:
Voor de koorleider, met snarenspel op de scheminiet, een lied van David.
יְהוָה אַל בְּאַפְּךָ תוֹכִיחֵנִי וְאַל בַּחֲמָתְךָ תְיַסְּרֵנִי:
O Eeuwige, bestraf mij niet in Uw toorn, en kastijd mij niet in Uw grimmigheid.
חָנֵּנִי יְהוָה כִּי אֻמְלַל אָנִי רְפָאֵנִי יְהוָה כִּי נִבְהֲלוּ עֲצָמָי:
Wees mij genadig, o Eeuwige, want ik kwijn weg; genees mij, o Eeuwige, want mijn beenderen zijn verschrikt.
וְנַפְשִׁי נִבְהֲלָה מְאֹד (ואת) וְאַתָּה יְהוָה עַד מָתָי:
En mijn ziel is zeer verschrikt; en Gij, o Eeuwige, hoe lang nog?
שׁוּבָה יְהוָה חַלְּצָה נַפְשִׁי הוֹשִׁיעֵנִי לְמַעַן חַסְדֶּךָ:
Keer terug, o Eeuwige, red mijn ziel; verlos mij ter wille van Uw goedertierenheid.
כִּי אֵין בַּמָּוֶת זִכְרֶךָ בִּשְׁאוֹל מִי יוֹדֶה לָּךְ:
Want in de dood is geen gedachtenis aan U; in het graf, wie zal U loven?
יָגַעְתִּי בְּאַנְחָתִי אַשְׂחֶה בְכָל לַיְלָה מִטָּתִי בְּדִמְעָתִי עַרְשִׂי אַמְסֶה:
Ik ben moe van mijn zuchten; elke nacht doorweek ik mijn bed; met mijn tranen doe ik mijn legerstede vergaan.
עָשְׁשָׁה מִכַּעַס עֵינִי עָתְקָה בְּכָל צוֹרְרָי:
Mijn oog is dof geworden van verdriet; het is oud geworden vanwege al mijn tegenstanders.
סוּרוּ מִמֶּנִּי כָּל פֹּעֲלֵי אָוֶן כִּי שָׁמַע יְהוָה קוֹל בִּכְיִי:
Wijkt van mij, alle bedrijvers van ongerechtigheid, want de Eeuwige heeft de stem van mijn geween gehoord.
שָׁמַע יְהוָה תְּחִנָּתִי יְהוָה תְּפִלָּתִי יִקָּח:
De Eeuwige heeft mijn smeking gehoord; de Eeuwige neemt mijn gebed aan.
יֵבֹשׁוּ וְיִבָּהֲלוּ מְאֹד כָּל אֹיְבָי יָשֻׁבוּ יֵבֹשׁוּ רָגַע:
Al mijn vijanden zullen beschaamd en zeer verschrikt worden; zij zullen zich omkeren en in een ogenblik beschaamd staan.