לַמְנַצֵּחַ עַל שׁוּשַׁן עֵדוּת מִכְתָּם לְדָוִד לְלַמֵּד:
Voor de koorleider, op de sjoesjan eedoet, een michtam van David, om te onderwijzen.
בְּהַצּוֹתוֹ אֶת אֲרַם נַהֲרַיִם וְאֶת אֲרַם צוֹבָה וַיָּשָׁב יוֹאָב וַיַּךְ אֶת אֱדוֹם בְּגֵיא מֶלַח שְׁנֵים עָשָׂר אָלֶף:
Toen hij streed met Aram-Naharaïm en met Aram-Soba, en Joab terugkeerde en twaalfduizend Edomieten versloeg in het Zoutdal.
אֱלֹהִים זְנַחְתָּנוּ פְרַצְתָּנוּ אָנַפְתָּ תְּשׁוֹבֵב לָנוּ:
O God, U hebt ons verstoten; U hebt ons doorbroken; U was toornig op ons. U zult ons herstellen.
הִרְעַשְׁתָּה אֶרֶץ פְּצַמְתָּהּ רְפָה שְׁבָרֶיהָ כִי מָטָה:
U hebt het land doen beven; U hebt het gespleten; genees zijn scheuren, want het wankelt.
הִרְאִיתָה עַמְּךָ קָשָׁה הִשְׁקִיתָנוּ יַיִן תַּרְעֵלָה:
U hebt Uw volk hardheid getoond; U hebt ons wijn van bedwelming te drinken gegeven.
נָתַתָּה לִּירֵאֶיךָ נֵּס לְהִתְנוֹסֵס מִפְּנֵי קֹשֶׁט סֶלָה:
U hebt hen die U vrezen beproevingen gegeven om beproefd te worden, om Uw handelen voor altijd te verheerlijken.
לְמַעַן יֵחָלְצוּן יְדִידֶיךָ הוֹשִׁיעָה יְמִינְךָ (ועננו) וַעֲנֵנִי:
Opdat Uw geliefden gered worden, verlos met Uw rechterhand en antwoord mij.
אֱלֹהִים דִּבֶּר בְּקָדְשׁוֹ אֶעְלֹזָה אֲחַלְּקָה שְׁכֶם וְעֵמֶק סֻכּוֹת אֲמַדֵּד:
God sprak in Zijn heiligdom: Ik zal juichen, ik zal een deel verdelen en het dal van Sukkot meten.
לִי גִלְעָד וְלִי מְנַשֶּׁה וְאֶפְרַיִם מָעוֹז רֹאשִׁי יְהוּדָה מְחֹקְקִי:
Gilad is van mij en Manasse is van mij, en Efraïm is de sterkte van mijn hoofd; Juda is mijn wetgever.
מוֹאָב סִיר רַחְצִי עַל אֱדוֹם אַשְׁלִיךְ נַעֲלִי עָלַי פְּלֶשֶׁת הִתְרֹעָעִי:
Moab is mijn waskom; op Edom werp ik mijn schoen; Filistea, sluit u bij mij aan.
מִי יֹבִלֵנִי עִיר מָצוֹר מִי נָחַנִי עַד אֱדוֹם:
Wie zal mij naar de versterkte stad brengen? Wie heeft mij naar Edom geleid?
הֲלֹא אַתָּה אֱלֹהִים זְנַחְתָּנוּ וְלֹא תֵצֵא אֱלֹהִים בְּצִבְאוֹתֵינוּ:
Bent U het niet, o God, die ons hebt verlaten, en trekt U niet uit, o God, met onze legers?
הָבָה לָּנוּ עֶזְרָת מִצָּר וְשָׁוְא תְּשׁוּעַת אָדָם:
Geef ons hulp tegen de tegenstander, want de redding door mensen is ijdel.
בֵּאלֹהִים נַעֲשֶׂה חָיִל וְהוּא יָבוּס צָרֵינוּ:
Door God zullen wij kracht verzamelen, en Hij zal onze tegenstanders vertrappen.