לַמְנַצֵּחַ מִזְמוֹר לְדָוִד שִׁיר:
Voor de dirigent, een psalm van David, een lied.
לְךָ דֻמִיָּה תְהִלָּה אֱלֹהִים בְּצִיּוֹן וּלְךָ יְשֻׁלַּם נֶדֶר:
Stilte is lof voor U, o God in Sion, en aan U wordt een gelofte vervuld.
שֹׁמֵעַ תְּפִלָּה עָדֶיךָ כָּל בָּשָׂר יָבֹאוּ:
U, die het gebed hoort, tot U zal alle vlees komen.
דִּבְרֵי עֲוֹנֹת גָּבְרוּ מֶנִּי פְּשָׁעֵינוּ אַתָּה תְכַפְּרֵם:
Woorden van ongerechtigheden hebben mij overweldigd; wat onze overtredingen betreft, U zult ze verzoenen.
אַשְׁרֵי תִּבְחַר וּתְקָרֵב יִשְׁכֹּן חֲצֵרֶיךָ נִשְׂבְּעָה בְּטוּב בֵּיתֶךָ קְדֹשׁ הֵיכָלֶךָ:
Gelukkig is hij die U uitkiest en doet naderen om in Uw voorhoven te wonen; laat ons verzadigd worden met het goede van Uw huis, de heiligheid van Uw Tempel.
נוֹרָאוֹת בְּצֶדֶק תַּעֲנֵנוּ אֱלֹהֵי יִשְׁעֵנוּ מִבְטָח כָּל קַצְוֵי אֶרֶץ וְיָם רְחֹקִים:
Met ontzagwekkende daden, door Uw gerechtigheid zult U ons antwoorden, God van onze redding, het vertrouwen van alle verre einden der aarde en der zee.
מֵכִין הָרִים בְּכֹחוֹ נֶאְזָר בִּגְבוּרָה:
Die de bergen vestigt met Zijn kracht, die met macht omgord is.
מַשְׁבִּיחַ שְׁאוֹן יַמִּים שְׁאוֹן גַּלֵּיהֶם וַהֲמוֹן לְאֻמִּים:
Die het bruisen van de zeeën doet bedaren, het bruisen van hun golven, en het rumoer van koninkrijken.
וַיִּירְאוּ יֹשְׁבֵי קְצָוֹת מֵאוֹתֹתֶיךָ מוֹצָאֵי בֹקֶר וָעֶרֶב תַּרְנִין:
En de bewoners van de einden vrezen Uw tekenen; bij het aanbreken van morgen en avond doet U hen jubelen.
פָּקַדְתָּ הָאָרֶץ וַתְּשֹׁקְקֶהָ רַבַּת תַּעְשְׁרֶנָּה פֶּלֶג אֱלֹהִים מָלֵא מָיִם תָּכִין דְּגָנָם כִּי כֵן תְּכִינֶהָ:
U gedenkt de aarde en bevloeit haar; U verrijkt haar overvloedig met de beek van God die vol water is; U bereidt hun koren, want zo bereidt U haar.
תְּלָמֶיהָ רַוֵּה נַחֵת גְּדוּדֶיהָ בִּרְבִיבִים תְּמֹגְגֶנָּה צִמְחָהּ תְּבָרֵךְ:
Om haar voren te drenken, om haar kluiten te effenen; met regendruppels weekt U haar, U zegent haar gewassen.
עִטַּרְתָּ שְׁנַת טוֹבָתֶךָ וּמַעְגָּלֶיךָ יִרְעֲפוּן דָּשֶׁן:
U hebt een jaar van Uw goedheid gekroond, en Uw paden druipen van overvloed.
יִרְעֲפוּ נְאוֹת מִדְבָּר וְגִיל גְּבָעוֹת תַּחְגֹּרְנָה:
Zij druipen op de weiden van de woestijn, en de heuvels omgorden zich met vreugde.
לָבְשׁוּ כָרִים הַצֹּאן וַעֲמָקִים יַעַטְפוּ בָר יִתְרוֹעֲעוּ אַף יָשִׁירוּ:
De weiden zijn bekleed met kudden, en de dalen zijn omhuld met koren; zij juichen van vreugde, ja, zij zingen.