בְּךָ יְהוָה חָסִיתִי אַל אֵבוֹשָׁה לְעוֹלָם:
Bij U, o Eeuwige, heb ik mijn toevlucht gezocht; laat mij nimmer beschaamd worden.
בְּצִדְקָתְךָ תַּצִּילֵנִי וּתְפַלְּטֵנִי הַטֵּה אֵלַי אָזְנְךָ וְהוֹשִׁיעֵנִי:
Door Uw gerechtigheid zult U mij redden en bevrijden; neig Uw oor tot mij en verlos mij.
הֱיֵה לִי לְצוּר מָעוֹן לָבוֹא תָּמִיד צִוִּיתָ לְהוֹשִׁיעֵנִי כִּי סַלְעִי וּמְצוּדָתִי אָתָּה:
Wees voor mij een beschuttende rots waar ik voortdurend kan binnengaan; U hebt geboden mij te redden, want U bent mijn rots en mijn vesting.
אֱלֹהַי פַּלְּטֵנִי מִיַּד רָשָׁע מִכַּף מְעַוֵּל וְחוֹמֵץ:
Mijn God, red mij uit de hand van de goddeloze, uit de greep van hem die onrecht pleegt en rooft.
כִּי אַתָּה תִקְוָתִי אֲדֹנָי יְהוִה מִבְטַחִי מִנְּעוּרָי:
Want U bent mijn hoop, o Eeuwige God, mijn vertrouwen van mijn jeugd af.
עָלֶיךָ נִסְמַכְתִּי מִבֶּטֶן מִמְּעֵי אִמִּי אַתָּה גוֹזִי בְּךָ תְהִלָּתִי תָמִיד:
Op U heb ik gesteund vanaf mijn geboorte; uit mijn moeders schoot hebt U mij getrokken; mijn lof is altijd in U.
כְּמוֹפֵת הָיִיתִי לְרַבִּים וְאַתָּה מַחֲסִי עֹז:
Ik was een voorbeeld voor de menigte, maar U was mijn sterke toevlucht.
יִמָּלֵא פִי תְּהִלָּתֶךָ כָּל הַיּוֹם תִּפְאַרְתֶּךָ:
Mijn mond zal vervuld worden met Uw lof, alle dagen met Uw heerlijkheid.
אַל תַּשְׁלִיכֵנִי לְעֵת זִקְנָה כִּכְלוֹת כֹּחִי אַל תַּעַזְבֵנִי:
Verwerp mij niet in de tijd van de ouderdom; verlaat mij niet wanneer mijn kracht bezwijkt.
כִּי אָמְרוּ אוֹיְבַי לִי וְשֹׁמְרֵי נַפְשִׁי נוֹעֲצוּ יַחְדָּו:
Want mijn vijanden spraken over mij, en zij die mijn ziel belagen beraadslaagden samen,
לֵאמֹר אֱלֹהִים עֲזָבוֹ רִדְפוּ וְתִפְשׂוּהוּ כִּי אֵין מַצִּיל:
Zeggende: "God heeft hem verlaten; vervolg en grijp hem, want er is geen redder."
אֱלֹהִים אַל תִּרְחַק מִמֶּנִּי אֱלֹהַי לְעֶזְרָתִי (חישה) חוּשָׁה:
O God, blijf niet ver van mij; mijn God, haast U mij te hulp.
יֵבֹשׁוּ יִכְלוּ שֹׂטְנֵי נַפְשִׁי יַעֲטוּ חֶרְפָּה וּכְלִמָּה מְבַקְשֵׁי רָעָתִי:
De tegenstanders van mijn ziel zullen beschaamd worden en vergaan; in vernedering en schande gehuld zullen zij zijn die mij onheil zoeken te doen.
וַאֲנִי תָּמִיד אֲיַחֵל וְהוֹסַפְתִּי עַל כָּל תְּהִלָּתֶךָ:
Wat mij betreft, ik zal voortdurend hopen, en ik zal toevoegen aan al Uw lof.
פִּי יְסַפֵּר צִדְקָתֶךָ כָּל הַיּוֹם תְּשׁוּעָתֶךָ כִּי לֹא יָדַעְתִּי סְפֹרוֹת:
Mijn mond zal Uw gerechtigheid verkondigen, alle dagen Uw redding, want ik ken hun getal niet.
אָבוֹא בִּגְבֻרוֹת אֲדֹנָי יְהוִה אַזְכִּיר צִדְקָתְךָ לְבַדֶּךָ:
Ik zal komen met de machtige daden van de Eeuwige God; ik zal Uw gerechtigheid alleen gedenken.
אֱלֹהִים לִמַּדְתַּנִי מִנְּעוּרָי וְעַד הֵנָּה אַגִּיד נִפְלְאוֹתֶיךָ:
O God, U hebt mij onderwezen van mijn jeugd af, en tot nu toe verkondig ik Uw wonderen.
וְגַם עַד זִקְנָה וְשֵׂיבָה אֱלֹהִים אַל תַּעַזְבֵנִי עַד אַגִּיד זְרוֹעֲךָ לְדוֹר לְכָל יָבוֹא גְּבוּרָתֶךָ:
En zelfs tot in de ouderdom en de grijsheid, o God, verlaat mij niet, totdat ik aan het geslacht van Uw sterkte vertel, aan ieder die komt, van Uw macht
וְצִדְקָתְךָ אֱלֹהִים עַד מָרוֹם אֲשֶׁר עָשִׂיתָ גְדֹלוֹת אֱלֹהִים מִי כָמוֹךָ:
En Uw gerechtigheid, o God, die tot de hoogten reikt, want U doet grote dingen. O God, wie is als U?
אֲשֶׁר (הראיתנו) הִרְאִיתַנִי צָרוֹת רַבּוֹת וְרָעוֹת תָּשׁוּב (תחיינו) תְּחַיֵּינִי וּמִתְּהֹמוֹת הָאָרֶץ תָּשׁוּב תַּעֲלֵנִי:
U die mij grote en kwade benauwdheden toonde, U zult mij opnieuw doen herleven, en uit de diepten der aarde zult U mij weer doen opstijgen.
תֶּרֶב גְּדֻלָּתִי וְתִסֹּב תְּנַחֲמֵנִי:
U zult mijn grootheid vermeerderen, en U zult U omkeren en mij troosten.
גַּם אֲנִי אוֹדְךָ בִכְלִי נֶבֶל אֲמִתְּךָ אֱלֹהָי אֲזַמְּרָה לְךָ בְכִנּוֹר קְדוֹשׁ יִשְׂרָאֵל:
Ook ik zal U danken met een snaarinstrument voor Uw waarheid, mijn God; ik zal U muziek spelen op een harp, o Heilige van Israël.
תְּרַנֵּנָּה שְׂפָתַי כִּי אֲזַמְּרָה לָּךְ וְנַפְשִׁי אֲשֶׁר פָּדִיתָ:
Mijn lippen zullen jubelen wanneer ik U muziek speel, en mijn ziel, die U verloste.
גַּם לְשׁוֹנִי כָּל הַיּוֹם תֶּהְגֶּה צִדְקָתֶךָ כִּי בֹשׁוּ כִי חָפְרוּ מְבַקְשֵׁי רָעָתִי:
Ook mijn tong zal Uw gerechtigheid alle dagen verkondigen, want zij die mijn onheil zoeken zijn beschaamd, ja, zij zijn te schande geworden.