לַמְנַצֵּחַ עַל מוּת לַבֵּן מִזְמוֹר לְדָוִד:
Voor de koorleider, op de wijze van Mut-Labben, een lied van David.
אוֹדֶה יְהוָה בְּכָל לִבִּי אֲסַפְּרָה כָּל נִפְלְאוֹתֶיךָ:
Ik zal de Eeuwige loven met heel mijn hart; ik zal al Uw wonderen verhalen.
אֶשְׂמְחָה וְאֶעֶלְצָה בָךְ אֲזַמְּרָה שִׁמְךָ עֶלְיוֹן:
Ik zal mij verheugen en juichen in U; ik zal Uw Naam, Allerhoogste, bezingen.
בְּשׁוּב אוֹיְבַי אָחוֹר יִכָּשְׁלוּ וְיֹאבְדוּ מִפָּנֶיךָ:
Wanneer mijn vijanden terugdeinzen, struikelen zij en gaan voor Uw aangezicht te gronde.
כִּי עָשִׂיתָ מִשְׁפָּטִי וְדִינִי יָשַׁבְתָּ לְכִסֵּא שׁוֹפֵט צֶדֶק:
Want Gij hebt mijn recht en mijn rechtszaak volvoerd; Gij hebt op de troon gezeten, o rechtvaardige Rechter.
גָּעַרְתָּ גוֹיִם אִבַּדְתָּ רָשָׁע שְׁמָם מָחִיתָ לְעוֹלָם וָעֶד:
Gij hebt de volken bestraft, Gij hebt de goddeloze verdelgd; hun naam hebt Gij uitgewist, voor eeuwig en altijd.
הָאוֹיֵב תַּמּוּ חֳרָבוֹת לָנֶצַח וְעָרִים נָתַשְׁתָּ אָבַד זִכְרָם הֵמָּה:
De vijand is vergaan, voor eeuwig verwoest; en de steden die Gij ontworteld hebt, hun gedachtenis is verloren gegaan.
וַיהוָה לְעוֹלָם יֵשֵׁב כּוֹנֵן לַמִּשְׁפָּט כִּסְאוֹ:
Maar de Eeuwige zal voor eeuwig blijven zetelen; Hij heeft Zijn troon gevestigd ten gerichte.
וְהוּא יִשְׁפֹּט תֵּבֵל בְּצֶדֶק יָדִין לְאֻמִּים בְּמֵישָׁרִים:
En Hij oordeelt de wereld in gerechtigheid; de volken richt Hij in rechtschapenheid.
וִיהִי יְהוָה מִשְׂגָּב לַדָּךְ מִשְׂגָּב לְעִתּוֹת בַּצָּרָה:
En de Eeuwige zal een burcht zijn voor de verdrukte, een burcht in tijden van benauwdheid.
וְיִבְטְחוּ בְךָ יוֹדְעֵי שְׁמֶךָ כִּי לֹא עָזַבְתָּ דֹרְשֶׁיךָ יְהוָה:
En zij die Uw Naam kennen, zullen op U vertrouwen, want Gij hebt hen die U zoeken niet verlaten, o Eeuwige.
זַמְּרוּ לַיהוָה יֹשֵׁב צִיּוֹן הַגִּידוּ בָעַמִּים עֲלִילוֹתָיו:
Bezingt de Eeuwige, die op Sion troont; verkondigt onder de volken Zijn daden.
כִּי דֹרֵשׁ דָּמִים אוֹתָם זָכָר לֹא שָׁכַח צַעֲקַת (עניים) עֲנָוִים:
Want Hij die het bloed wreekt, gedenkt hen; Hij vergeet de roep van de ootmoedigen niet.
חָנְנֵנִי יְהוָה רְאֵה עָנְיִי מִשֹּׂנְאָי מְרוֹמְמִי מִשַּׁעֲרֵי מָוֶת:
Wees mij genadig, o Eeuwige, zie mijn ellende vanwege mijn haters, Gij die mij opheft uit de poorten van de dood,
לְמַעַן אֲסַפְּרָה כָּל תְּהִלָּתֶיךָ בְּשַׁעֲרֵי בַת צִיּוֹן אָגִילָה בִּישׁוּעָתֶךָ:
opdat ik al Uw lof verhale; in de poorten van de dochter van Sion zal ik mij verheugen in Uw heil.
טָבְעוּ גוֹיִם בְּשַׁחַת עָשׂוּ בְּרֶשֶׁת זוּ טָמָנוּ נִלְכְּדָה רַגְלָם:
De volken zijn gezonken in de kuil die zij gemaakt hebben; in dit net dat zij verborgen hebben, is hun voet verstrikt geraakt.
נוֹדַע יְהוָה מִשְׁפָּט עָשָׂה בְּפֹעַל כַּפָּיו נוֹקֵשׁ רָשָׁע הִגָּיוֹן סֶלָה:
De Eeuwige heeft Zich doen kennen door het gericht dat Hij volvoerd heeft; door het werk van zijn eigen handen is de goddeloze verstrikt. Laat ons hierover voor eeuwig nadenken.
יָשׁוּבוּ רְשָׁעִים לִשְׁאוֹלָה כָּל גּוֹיִם שְׁכֵחֵי אֱלֹהִים:
Laat de goddelozen terugkeren naar het graf, alle volken die God vergeten.
כִּי לֹא לָנֶצַח יִשָּׁכַח אֶבְיוֹן תִּקְוַת (ענוים) עֲנִיִּים תֹּאבַד לָעַד:
Want de behoeftige zal niet voor altijd vergeten worden, noch zal de hoop van de armen voor eeuwig verloren gaan.
קוּמָה יְהוָה אַל יָעֹז אֱנוֹשׁ יִשָּׁפְטוּ גוֹיִם עַל פָּנֶיךָ:
Sta op, o Eeuwige; laat de mens geen macht hebben. Mogen de volken voor Uw aangezicht geoordeeld worden.
שִׁיתָה יְהוָה מוֹרָה לָהֶם יֵדְעוּ גוֹיִם אֱנוֹשׁ הֵמָּה סֶּלָה:
Stel hen in vrees, o Eeuwige; laat de volken weten dat zij niets dan sterfelijke mensen zijn.