לְכוּ נְרַנְּנָה לַיהוָה נָרִיעָה לְצוּר יִשְׁעֵנוּ:
Komt, laten wij de Eeuwige toejuichen; laten wij juichen tot de rots van onze verlossing.
נְקַדְּמָה פָנָיו בְּתוֹדָה בִּזְמִרוֹת נָרִיעַ לוֹ:
Laten wij Zijn aangezicht tegemoet treden met dankzegging; laten wij Hem toejuichen met liederen.
כִּי אֵל גָּדוֹל יְהוָה וּמֶלֶךְ גָּדוֹל עַל כָּל אֱלֹהִים:
Want de Eeuwige is een grote God en een groot Koning boven alle goddelijke machten.
אֲשֶׁר בְּיָדוֹ מֶחְקְרֵי אָרֶץ וְתוֹעֲפוֹת הָרִים לוֹ:
In Wiens hand de diepten van de aarde zijn, en de toppen van de bergen zijn van Hem.
אֲשֶׁר לוֹ הַיָּם וְהוּא עָשָׂהוּ וְיַבֶּשֶׁת יָדָיו יָצָרוּ:
Want de zee is van Hem, Hij heeft haar gemaakt, en Zijn handen vormden het droge land.
בֹּאוּ נִשְׁתַּחֲוֶה וְנִכְרָעָה נִבְרְכָה לִפְנֵי יְהוָה עֹשֵׂנוּ:
Komt, laten wij ons neerbuigen en buigen; laten wij knielen voor de Eeuwige, onze Maker.
כִּי הוּא אֱלֹהֵינוּ וַאֲנַחְנוּ עַם מַרְעִיתוֹ וְצֹאן יָדוֹ הַיּוֹם אִם בְּקֹלוֹ תִשְׁמָעוּ:
Want Hij is onze God, en wij zijn het volk van Zijn weide en de schapen van Zijn hand, heden, indien gij naar Zijn stem luistert.
אַל תַּקְשׁוּ לְבַבְכֶם כִּמְרִיבָה כְּיוֹם מַסָּה בַּמִּדְבָּר:
Verhardt uw hart niet als bij Meriba, als op de dag van Massa in de woestijn.
אֲשֶׁר נִסּוּנִי אֲבוֹתֵיכֶם בְּחָנוּנִי גַּם רָאוּ פָעֳלִי:
Toen uw voorvaderen Mij op de proef stelden; zij beproefden Mij, hoewel zij Mijn werk hadden gezien.
אַרְבָּעִים שָׁנָה אָקוּט בְּדוֹר וָאֹמַר עַם תֹּעֵי לֵבָב הֵם וְהֵם לֹא יָדְעוּ דְרָכָי:
Veertig jaar twistte Ik met een geslacht, en Ik zei: "Zij zijn een volk met dwalende harten en zij kenden Mijn wegen niet."
אֲשֶׁר נִשְׁבַּעְתִּי בְאַפִּי אִם יְבֹאוּן אֶל מְנוּחָתִי:
Daarom zwoer Ik in Mijn toorn, dat zij Mijn rustplaats niet zouden binnengaan.