לַמְנַצֵּחַ מַשְׂכִּיל לִבְנֵי קֹרַח: כְּאַיָּל תַּעֲרֹג עַל אֲפִיקֵי מָיִם כֵּן נַפְשִׁי תַעֲרֹג אֵלֶיךָ אֱלֹהִים: צָמְאָה נַפְשִׁי לֵאלֹהִים לְאֵל חָי מָתַי אָבוֹא וְאֵרָאֶה פְּנֵי אֱלֹהִים: הָיְתָה לִּי דִמְעָתִי לֶחֶם יוֹמָם וָלָיְלָה בֶּאֱמֹר אֵלַי כָּל הַיּוֹם אַיֵּה אֱלֹהֶיךָ: אֵלֶּה אֶזְכְּרָה וְאֶשְׁפְּכָה עָלַי נַפְשִׁי כִּי אֶעֱבֹר בַּסָּךְ אֶדַּדֵּם עַד בֵּית אֱלֹהִים בְּקוֹל רִנָּה וְתוֹדָה הָמוֹן חוֹגֵג: מַה תִּשְׁתּוֹחֲחִי נַפְשִׁי וַתֶּהֱמִי עָלָי הוֹחִילִי לֵאלֹהִים כִּי עוֹד אוֹדֶנּוּ יְשׁוּעוֹת פָּנָיו: אֱלֹהַי עָלַי נַפְשִׁי תִשְׁתּוֹחָח עַל כֵּן אֶזְכָּרְךָ מֵאֶרֶץ יַרְדֵּן וְחֶרְמוֹנִים מֵהַר מִצְעָר: תְּהוֹם אֶל תְּהוֹם קוֹרֵא לְקוֹל צִנּוֹרֶיךָ כָּל מִשְׁבָּרֶיךָ וְגַלֶּיךָ עָלַי עָבָרוּ: יוֹמָם יְצַוֶּה יְהֹוָה חַסְדּוֹ וּבַלַּיְלָה שִׁירוֹ עִמִּי תְּפִלָּה לְאֵל חַיָּי: אוֹמְרָה לְאֵל סַלְעִי לָמָה שְׁכַחְתָּנִי לָמָּה קֹדֵר אֵלֵךְ בְּלַחַץ אוֹיֵב: בְּרֶצַח בְּעַצְמוֹתַי חֵרְפוּנִי צוֹרְרָי בְּאָמְרָם אֵלַי כָּל הַיּוֹם אַיֵּה אֱלֹהֶיךָ: מַה תִּשְׁתּוֹחֲחִי נַפְשִׁי וּמַה תֶּהֱמִי עָלָי הוֹחִילִי לֵאלֹהִים כִּי עוֹד אוֹדֶנּוּ יְשׁוּעֹת פָּנַי וֵאלֹהָי:
Voor de koorleider, Maskil, voor de zonen van Korach: Gelijk een hert schreeuwt naar de waterstromen, zo schreeuwt mijn ziel naar U, o God. Mijn ziel dorst naar God, naar de levende God: wanneer zal ik komen en voor Gods aangezicht verschijnen? Mijn tranen zijn mijn spijs geweest dag en nacht, terwijl zij voortdurend tot mij zeggen: Waar is uw God? Wanneer ik deze dingen gedenk, stort ik mijn ziel in mij uit: want ik was met de menigte gegaan, ik trok met hen op naar het huis van God, met de stem van vreugde en lof, met een menigte die feestvierde. Wat buigt gij u neder, o mijn ziel? en wat zijt gij onrustig in mij? hoop op God: want ik zal Hem nog prijzen voor de hulp van Zijn aangezicht. O mijn God, mijn ziel buigt zich neder in mij: daarom zal ik U gedenken vanuit het land van de Jordaan, en van de Hermon, vanaf de berg Mizar. De diepte roept tot de diepte bij het bruisen van Uw watervallen: al Uw baren en Uw golven zijn over mij heengegaan. Toch zal de Eeuwige overdag Zijn goedertierenheid gebieden, en des nachts zal Zijn lied bij mij zijn, en mijn gebed tot de God van mijn leven. Ik zal tot God mijn rots zeggen: Waarom hebt Gij mij vergeten? waarom ga ik treurend vanwege de verdrukking van de vijand? Als met een zwaard in mijn beenderen smaden mijn vijanden mij; terwijl zij dagelijks tot mij zeggen: Waar is uw God? Wat buigt gij u neder, o mijn ziel? en wat zijt gij onrustig in mij? hoop op God: want ik zal Hem nog prijzen, Die het heil van mijn aangezicht is, en mijn God.
שָׁפְטֵנִי אֱלֹהִים וְרִיבָה רִיבִי מְגּוֹי לֹא חָסִיד מֵאִישׁ מִרְמָה וְעַוְלָה תְפַלְּטֵנִי: כִּי אַתָּה אֱלֹהֵי מָעוּזִּי לָמָה זְנַחְתָּנִי לָמָּה קֹדֵר אֶתְהַלֵּךְ בְּלַחַץ אוֹיֵב: שְׁלַח אוֹרְךָ וַאֲמִתְּךָ הֵמָּה יַנְחוּנִי יְבִיאוּנִי אֶל הַר קָדְשְׁךָ וְאֶל מִשְׁכְּנוֹתֶיךָ: וְאָבוֹאָה אֶל מִזְבַּח אֱלֹהִים אֶל אֵל שִׂמְחַת גִּילִי וְאוֹדְךָ בְכִנּוֹר אֱלֹהִים אֱלֹהָי: מַה תִּשְׁתּוֹחֲחִי נַפְשִׁי וּמַה תֶּהֱמִי עָלָי הוֹחִילִי לֵאלֹהִים כִּי עוֹד אוֹדֶנּוּ יְשׁוּעֹת פָּנַי וֵאלֹהָי:
Oordeel mij, o God, en bepleit mijn zaak tegen een goddeloos volk: o bevrijd mij van de bedrieglijke en onrechtvaardige mens. Want Gij zijt de God van mijn sterkte: waarom verwerpt Gij mij? waarom ga ik treurend vanwege de verdrukking van de vijand? O zend Uw licht en Uw waarheid uit: laten zij mij leiden; laten zij mij brengen tot Uw heilige berg, en tot Uw woningen. Dan zal ik gaan tot het altaar van God, tot God mijn uitnemende vreugde: ja, op de harp zal ik U prijzen, o God mijn God. Wat buigt gij u neder, o mijn ziel? en wat zijt gij onrustig in mij? hoop op God: want ik zal Hem nog prijzen, Die het heil van mijn aangezicht is, en mijn God.
בימים שאומרים תחנון:
Op dagen waarop Tachanoen gezegd wordt:
לַמְנַצֵּחַ מִזְמוֹר לְדָוִד: יַעַנְךָ יְהֹוָה בְּיוֹם צָרָה יְשַׂגֶּבְךָ שֵׁם אֱלֹהֵי יַעֲקֹב: יִשְׁלַח עֶזְרְךָ מִקֹּדֶשׁ וּמִצִּיּוֹן יִסְעָדֶךָּ: יִזְכֹּר כָּל מִנְחֹתֶךָ וְעוֹלָתְךָ יְדַשְּׁנֶה סֶלָה: יִתֶּן לְךָ כִלְבָבֶךָ וְכָל עֲצָתְךָ יְמַלֵּא: נְרַנְּנָה בִּישׁוּעָתֶךָ וּבְשֵׁם אֱלֹהֵינוּ נִדְגֹּל יְמַלֵּא יְהֹוָה כָּל מִשְׁאֲלוֹתֶיךָ: עַתָּה יָדַעְתִּי כִּי הוֹשִׁיעַ יְהֹוָה מְשִׁיחוֹ יַעֲנֵהוּ מִשְּׁמֵי קָדְשׁוֹ בִּגְבֻרוֹת יֵשַׁע יְמִינוֹ: אֵלֶּה בָרֶכֶב וְאֵלֶּה בַסּוּסִים וַאֲנַחְנוּ בְּשֵׁם יְהֹוָה אֱלֹהֵינוּ נַזְכִּיר: הֵמָּה כָּרְעוּ וְנָפָלוּ וַאֲנַחְנוּ קַּמְנוּ וַנִּתְעוֹדָד: יְהֹוָה הוֹשִׁיעָה הַמֶּלֶךְ יַעֲנֵנוּ בְיוֹם קָרְאֵנוּ:
Voor de koorleider, een psalm van David: De Eeuwige verhore u op de dag van benauwdheid; de Naam van de God van Jakob beschutte u; Zende u hulp uit het heiligdom, en versterke u uit Sion; Gedenke al uw offers, en aanvaarde uw brandoffer; Sela. Geve u naar uw eigen hart, en vervulle al uw raad. Wij zullen juichen in uw heil, en in de Naam van onze God zullen wij onze banieren opheffen: de Eeuwige vervulle al uw beden. Nu weet ik dat de Eeuwige Zijn gezalfde verlost; Hij zal hem verhoren uit Zijn heilige hemel met de reddende sterkte van Zijn rechterhand. Sommigen vertrouwen op wagens, en sommigen op paarden: maar wij zullen de Naam van de Eeuwige onze God gedenken. Zij zijn neergebogen en gevallen: maar wij zijn opgestaan, en staan overeind. Verlos, Eeuwige: laat de Koning ons verhoren wanneer wij roepen.
לְדָוִד מִזְמוֹר לַיהֹוָה הָאָרֶץ וּמְלוֹאָהּ תֵּבֵל וְיֹשְׁבֵי בָהּ: כִּי הוּא עַל יַמִּים יְסָדָהּ וְעַל נְהָרוֹת יְכוֹנְנֶהָ: מִי יַעֲלֶה בְהַר יְהֹוָה וּמִי יָקוּם בִּמְקוֹם קָדְשׁוֹ: נְקִי כַפַּיִם וּבַר לֵבָב אֲשֶׁר לֹא נָשָׂא לַשָּׁוְא נַפְשִׁי וְלֹא נִשְׁבַּע לְמִרְמָה: יִשָּׂא בְרָכָה מֵאֵת יְהֹוָה וּצְדָקָה מֵאֱלֹהֵי יִשְׁעוֹ: זֶה דּוֹר דֹּרְשָׁיו מְבַקְשֵׁי פָנֶיךָ יַעֲקֹב סֶלָה: שְׂאוּ שְׁעָרִים רָאשֵׁיכֶם וְהִנָּשְׂאוּ פִּתְחֵי עוֹלָם וְיָבוֹא מֶלֶךְ הַכָּבוֹד: מִי זֶה מֶלֶךְ הַכָּבוֹד יְהֹוָה עִזּוּז וְגִבּוֹר יְהֹוָה גִּבּוֹר מִלְחָמָה: שְׂאוּ שְׁעָרִים רָאשֵׁיכֶם וּשְׂאוּ פִּתְחֵי עוֹלָם וְיָבֹא מֶלֶךְ הַכָּבוֹד: מִי הוּא זֶה מֶלֶךְ הַכָּבוֹד יְהֹוָה צְבָאוֹת הוּא מֶלֶךְ הַכָּבוֹד סֶלָה:
Een psalm van David. De aarde is van de Eeuwige, en haar volheid; de wereld, en zij die daarin wonen. Want Hij heeft haar gegrondvest op de zeeën, en bevestigd op de stromen. Wie zal opklimmen op de berg van de Eeuwige? of wie zal staan in Zijn heilige plaats? Hij die rein is van handen, en zuiver van hart; die zijn ziel niet tot ijdelheid verheven heeft, noch bedrieglijk gezworen heeft. Hij zal de zegen ontvangen van de Eeuwige, en gerechtigheid van de God van zijn heil. Dit is het geslacht van hen die Hem zoeken, die Uw aangezicht zoeken, o Jakob. Sela. Heft uw hoofden op, o gij poorten; en wordt verheven, gij eeuwige deuren; en de Koning der heerlijkheid zal binnenkomen. Wie is deze Koning der heerlijkheid? De Eeuwige sterk en machtig, de Eeuwige machtig in de strijd. Heft uw hoofden op, o gij poorten; ja, heft ze op, gij eeuwige deuren; en de Koning der heerlijkheid zal binnenkomen. Wie is Hij, deze Koning der heerlijkheid? De Eeuwige der heerscharen, Hij is de Koning der heerlijkheid. Sela.
לַמְנַצֵּח בִּנְגִינֹת מִזְמוֹר שִׁיר: אֱלֹהִים יְחָנֵּנוּ וִיבָרְכֵנוּ יָאֵר פָּנָיו אִתָּנוּ סֶלָה: לָדַעַת בָּאָרֶץ דַּרְכֶּךָ בְּכָל גּוֹיִם יְשׁוּעָתֶךָ: יוֹדוּךָ עַמִּים אֱלֹהִים יוֹדוּךָ עַמִּים כֻּלָּם: יִשְׂמְחוּ וִירַנְּנוּ לְאֻמִּים כִּי תִשְׁפֹּט עַמִּים מִישׁוֹר וּלְאֻמִּים בָּאָרֶץ תַּנְחֵם סֶלָה: יוֹדוּךָ עַמִּים אֱלֹהִים יוֹדוּךָ עַמִּים כֻּלָּם: אֶרֶץ נָתְנָה יְבוּלָהּ יְבָרְכֵנוּ אֱלֹהִים אֱלֹהֵינוּ: יְבָרְכֵנוּ אֱלֹהִים וְיִירְאוּ אֹתוֹ כָּל אַפְסֵי אָרֶץ:
Voor de koorleider op Neginot, een psalm of lied. God zij ons genadig, en zegene ons; en doe Zijn aangezicht over ons lichten; Sela. Opdat Uw weg op aarde bekend worde, Uw reddend heil onder alle volken. Laten de volken U prijzen, o God; laten alle volken U prijzen. O laten de natiën zich verblijden en juichen van vreugde: want Gij zult de volken rechtvaardig oordelen, en de natiën op aarde besturen. Sela. Laten de volken U prijzen, o God; laten alle volken U prijzen. Dan zal de aarde haar opbrengst geven; en God, ja onze eigen God, zal ons zegenen. God zal ons zegenen; en alle einden der aarde zullen Hem vrezen.
הַלְלוּיָהּ אוֹדֶה יְהֹוָה בְּכָל לֵבָב בְּסוֹד יְשָׁרִים וְעֵדָה: גְּדֹלִים מַעֲשֵׂי יְהֹוָה דְּרוּשִׁים לְכָל חֶפְצֵיהֶם: הוֹד וְהָדָר פָּעֳלוֹ וְצִדְקָתוֹ עֹמֶדֶת לָעַד: זֵכֶר עָשָׂה לְנִפְלְאֹתָיו חַנּוּן וְרַחוּם יְהֹוָה: טֶרֶף נָתַן לִירֵאָיו יִזְכֹּר לְעוֹלָם בְּרִיתוֹ: כֹּחַ מַעֲשָׂיו הִגִּיד לְעַמּוֹ לָתֵת לָהֶם נַחֲלַת גּוֹיִם: מַעֲשֵׂי יָדָיו אֱמֶת וּמִשְׁפָּט נֶאֱמָנִים כָּל פִּקּוּדָיו: סְמוּכִים לָעַד לְעוֹלָם עֲשׂוּיִם בֶּאֱמֶת וְיָשָׁר: פְּדוּת שָׁלַח לְעַמּוֹ צִוָּה לְעוֹלָם בְּרִיתוֹ קָדוֹשׁ וְנוֹרָא שְׁמוֹ: רֵאשִׁית חָכְמָה יִרְאַת יְהֹוָה שֵׂכֶל טוֹב לְכָל עֹשֵׂיהֶם תְּהִלָּתוֹ עֹמֶדֶת לָעַד:
Halleloeja! Ik zal de Eeuwige prijzen met heel mijn hart, in de vergadering der oprechten, en in de gemeente. De werken van de Eeuwige zijn groot, nagespeurd door allen die er behagen in scheppen. Zijn werk is eerbiedwaardig en heerlijk: en Zijn gerechtigheid bestaat voor eeuwig. Hij heeft Zijn wonderbare werken doen gedenken: de Eeuwige is genadig en vol van mededogen. Hij heeft spijs gegeven aan hen die Hem vrezen: Hij zal Zijn verbond eeuwig gedenken. Hij heeft Zijn volk de kracht van Zijn werken getoond, opdat Hij hun het erfdeel der heidenen geve. De werken van Zijn handen zijn waarheid en recht; al Zijn geboden zijn betrouwbaar. Zij staan vast voor eeuwig en altijd, en zijn gedaan in waarheid en oprechtheid. Hij zond verlossing aan Zijn volk: Hij heeft Zijn verbond voor eeuwig geboden: heilig en ontzagwekkend is Zijn Naam. De vrees van de Eeuwige is het begin van wijsheid: een goed verstand hebben allen die Zijn geboden doen: Zijn lof bestaat voor eeuwig.
לַמְנַצֵּחַ מִזְמוֹר לְדָוִד: בְּבוֹא אֵלָיו נָתָן הַנָּבִיא כַּאֲשֶׁר בָּא אֶל בַּת שָׁבַע: חָנֵּנִי אֱלֹהִים כְּחַסְדֶּךָ כְּרֹב רַחֲמֶיךָ מְחֵה פְשָׁעָי: הֶרֶב כַּבְּסֵנִי מֵעֲוֹנִי וּמֵחַטָּאתִי טַהֲרֵנִי: כִּי פְשָׁעַי אֲנִי אֵדָע וְחַטָּאתִי נֶגְדִּי תָמִיד: לְךָ לְבַדְּךָ חָטָאתִי וְהָרַע בְּעֵינֶיךָ עָשִׂיתִי לְמַעַן תִּצְדַּק בְּדָבְרֶךָ תִּזְכֶּה בְשָׁפְטֶךָ: הֵן בְּעָווֹן חוֹלָלְתִּי וּבְחֵטְא יֶחֱמַתְנִי אִמִּי: הֵן אֱמֶת חָפַצְתָּ בַטֻּחוֹת וּבְסָתֻם חָכְמָה תוֹדִיעֵנִי: תְּחַטְּאֵנִי בְאֵזוֹב וְאֶטְהָר תְּכַבְּסֵנִי וּמִשֶּׁלֶג אַלְבִּין: תַּשְׁמִיעֵנִי שָׂשׂוֹן וְשִׂמְחָה תָּגֵלְנָה עֲצָמוֹת דִּכִּיתָ: הַסְתֵּר פָּנֶיךָ מֵחֲטָאָי וְכָל עֲוֹנֹתַי מְחֵה: לֵב טָהוֹר בְּרָא לִי אֱלֹהִים וְרוּחַ נָכוֹן חַדֵּשׁ בְּקִרְבִּי: אַל תַּשְׁלִיכֵנִי מִלְּפָנֶיךָ וְרוּחַ קָדְשְׁךָ אַל תִּקַּח מִמֶּנִּי: הָשִׁיבָה לִּי שְׂשׂוֹן יִשְׁעֶךָ וְרוּחַ נְדִיבָה תִסְמְכֵנִי: אֲלַמְּדָה פֹשְׁעִים דְּרָכֶיךָ וְחַטָּאִים אֵלֶיךָ יָשׁוּבוּ: הַצִּילֵנִי מִדָּמִים אֱלֹהִים אֱלֹהֵי תְּשׁוּעָתִי תְּרַנֵּן לְשׁוֹנִי צִדְקָתֶךָ: אֲדֹנָי שְׂפָתַי תִּפְתָּח וּפִי יַגִּיד תְּהִלָּתֶךָ: כִּי לֹא תַחְפֹּץ זֶבַח וְאֶתֵּנָה עוֹלָה לֹא תִרְצֶה: זִבְחֵי אֱלֹהִים רוּחַ נִשְׁבָּרָה לֵב נִשְׁבָּר וְנִדְכֶּה אֱלֹהִים לֹא תִבְזֶה: הֵיטִיבָה בִרְצוֹנְךָ אֶת צִיּוֹן תִּבְנֶה חוֹמוֹת יְרוּשָׁלִָם: אָז תַּחְפֹּץ זִבְחֵי צֶדֶק עוֹלָה וְכָלִיל אָז יַעֲלוּ עַל מִזְבַּחֲךָ פָרִים:
Voor de koorleider, een psalm van David, toen de profeet Nathan tot hem gekomen was, nadat hij tot Bathseba gegaan was. Wees mij genadig, o God, naar Uw goedertierenheid: delg mijn overtredingen uit naar de menigte van Uw tedere barmhartigheden. Was mij grondig van mijn ongerechtigheid, en reinig mij van mijn zonde. Want ik erken mijn overtredingen: en mijn zonde is steeds voor mij. Tegen U, U alleen, heb ik gezondigd, en gedaan wat kwaad is in Uw ogen: opdat Gij rechtvaardig zijt wanneer Gij spreekt, en zuiver wanneer Gij oordeelt. Zie, ik ben in ongerechtigheid geboren; en in zonde heeft mijn moeder mij ontvangen. Zie, Gij begeert waarheid in het binnenste: en in het verborgene zult Gij mij wijsheid doen kennen. Ontzondig mij met hysop, en ik zal rein zijn: was mij, en ik zal witter zijn dan sneeuw. Doe mij vreugde en blijdschap horen; opdat de beenderen die Gij verbrijzeld hebt zich verheugen. Verberg Uw aangezicht voor mijn zonden, en delg al mijn ongerechtigheden uit. Schep in mij een rein hart, o God; en vernieuw een vaste geest in mijn binnenste. Verwerp mij niet van Uw aangezicht; en neem Uw heilige geest niet van mij. Geef mij de vreugde van Uw heil weder; en ondersteun mij met een gewillige geest. Dan zal ik overtreders Uw wegen leren; en zondaars zullen tot U bekeerd worden. Verlos mij van bloedschuld, o God, Gij God van mijn heil: en mijn tong zal luid van Uw gerechtigheid zingen. O Eeuwige, open Gij mijn lippen; en mijn mond zal Uw lof verkondigen. Want Gij begeert geen slachtoffer; anders zou ik het geven: Gij hebt geen behagen in brandoffer. De offers van God zijn een verbroken geest: een verbroken en verbrijzeld hart, o God, zult Gij niet versmaden. Doe goed in Uw welbehagen aan Sion: bouw Gij de muren van Jeruzalem. Dan zult Gij behagen scheppen in de offers der gerechtigheid, in brandoffer en geheel brandoffer: dan zullen zij stieren offeren op Uw altaar.
בימים שאומרים תחנון:
Op dagen waarop Tachanoen gezegd wordt:
תָקוּם תְּרַחֵם צִיּוֹן, תִּבְנֶה חוֹמוֹת יְרוּשָׁלָיִם:
Sta op, ontferm U over Sion: bouw de muren van Jeruzalem.
אֱלֹהֵינוּ וֵאלֹהֵי אֲבוֹתֵינוּ, מֶלֶךְ רַחֲמָן רַחֵם עָלֵינוּ, טוֹב וּמֵטִיב הִדָּרֶשׁ לָנוּ, שׁוּבָה עָלֵינוּ בַּהֲמוֹן רַחֲמֶיךָ, בִּגְלַל אָבוֹת שֶׁעָשׂוּ רְצוֹנֶךָ, בְּנֵה בֵיתְךָ כּבַתְּחִלָּה, כּוֹנֵן בֵּית מִקְדָּשְׁךָ עַל מְכוֹנוֹ, הַרְאֵנוּ בְּבִנְיָנוֹ, שַׂמְּחֵנוּ בְּתִקּוּנוֹ, וְהָשֵׁב שְׁכִינָתְךָ לְתוֹכוֹ, וְהָשֵׁב כֹּהֲנִים לַעֲבוֹדָתָם, וּלְוִיִּים לְדוּכָנָם, לְשִׁירָם וּלְזִמְרָם, וְהָשֵׁב יִשְׂרָאֵל לִנְוֵיהֶם. וְשָׁם נַעֲלֶה וְנֵרָאֶה וְנִשְׁתַּחֲוֶה לְפָנֶיךָ: יְהִי רָצוֹן מִלְּפָנֶיךָ יְהֹוָה אֱלֹהֵינוּ וֵאלֹהֵי אֲבֹתֵינוּ, שֶׁתַּעֲלֵנוּ בְּשִׂמְחָה לְאַרְצֵנוּ, וְתִטָּעֵנוּ בִּגְבוּלֵנוּ, וְשָׁם נַעֲשֶׂה לְפָנֶיךָ אֶת קָרְבְּנוֹת חֹבֹתֵינוּ, תְּמִידִים כְּסִדְרָם וּמוּסָפִים כְּהִלְכָתָם:
Onze God en God van onze vaderen, barmhartige Koning, ontferm U over ons, doe goed en zoek ons op, keer tot ons weder met overvloedige barmhartigheid, omwille van onze vaderen die Uw wil deden, bouw Uw huis als in het begin, bevestig Uw Tempel op zijn grondvest, toon ons zijn bouw, verblijd ons in zijn herstel, en laat Uw Tegenwoordigheid binnen in hetzelve wederkeren, en herstel priesters tot hun dienst, en Levieten tot hun verhoog, tot hun gezang en hun muziek, en laat Jisraeel tot hun woonplaatsen wederkeren. En daar zullen wij opgaan en verschijnen en ons voor U neerbuigen: Moge het Uw wil zijn, Eeuwige onze God en God van onze vaderen, dat Gij ons in vreugde naar ons land opvoert, en ons in onze grenzen plant, en daar zullen wij voor U onze verplichte offers verrichten, de gedurige offers volgens hun orde en de bijkomende offers volgens hun wet:
שִׁיר הַמַּעֲלוֹת בְּשׁוּב יְהֹוָה אֶת שִׁיבַת צִיּוֹן הָיִינוּ כְּחֹלְמִים: אָז יִמָּלֵא שְׂחוֹק פִּינוּ וּלְשׁוֹנֵנוּ רִנָּה אָז יֹאמְרוּ בַגּוֹיִם הִגְדִּיל יְהֹוָה לַעֲשׂוֹת עִם אֵלֶּה: הִגְדִּיל יְהֹוָה לַעֲשׂוֹת עִמָּנוּ הָיִינוּ שְׂמֵחִים: שׁוּבָה יְהֹוָה אֶת שְׁבִיתֵנוּ כַּאֲפִיקִים בַּנֶּגֶב: הַזֹּרְעִים בְּדִמְעָה בְּרִנָּה יִקְצֹרוּ: הָלוֹךְ יֵלֵךְ וּבָכֹה נֹשֵׂא מֶשֶׁךְ הַזָּרַע בֹּא יָבוֹא בְרִנָּה נֹשֵׂא אֲלֻמֹּתָיו:
Een bedevaartslied. Toen de Eeuwige de gevangenschap van Sion deed wederkeren, waren wij als zij die dromen. Toen werd onze mond vervuld met gelach, en onze tong met gejuich: toen zeiden zij onder de heidenen: De Eeuwige heeft grote dingen voor hen gedaan. De Eeuwige heeft grote dingen voor ons gedaan; daarom zijn wij verblijd. Doe onze gevangenschap wederkeren, o Eeuwige, als de beken in het zuiden. Zij die met tranen zaaien zullen met gejuich maaien. Hij die uitgaat en weent, het kostbare zaad dragend, zal voorzeker wederkomen met gejuich, zijn schoven met zich dragend.