אָשִׁירָה לַיהֹוָה בְּחַיָּי, אֲזַמְּרָה לֵאלֹהַי בְּעוֹדִי: יֶעֱרַב עָלָיו שִׂיחִי, אָנֹכִי אֶשְׂמַח בַּיהֹוָה: הוֹדוּ לַיהֹוָה בְּכִנּוֹר, בְּנֵבֶל עָשׂוֹר זַמְּרוּ לוֹ: אֱלֹהִים, שִׁיר חָדָשׁ אָשִׁירָה לָּךְ, בְּנֵבֶל עָשׂוֹר אֲזַמְּרָה לָּךְ: עֲלֵי עָשׂוֹר וְעֵלִי נָבֶל, עֲלֵי הִגָּיוֹן בְּכִנּוֹר: כִּי שִׂמַּחְתַּנִי יְהֹוָה בְּפָעֳלֶךָ, בְּמַעֲשֵׂי יָדֶיךָ אֲרַנֵּן:
Ik zal voor de Eeuwige zingen zolang ik leef; ik zal mijn God psalmzingen zolang ik besta. Moge mijn overpeinzing Hem welgevallig zijn; ik, ik zal mij verheugen in de Eeuwige. Dankt de Eeuwige met de harp; psalmzingt Hem met de tiensnarige luit. O God, een nieuw lied zal ik U zingen; op de tiensnarige luit zal ik U psalmzingen. Op het tiensnarig speeltuig en op de luit, bij snarenspel op de harp. Want Gij hebt mij verblijd, o Eeuwige, door Uw werk; over de werken Uwer handen jubel ik.
רִבּוֹנוֹ שֶׁל עוֹלָם, אֲדוֹן כֹּל, בּוֹרֵא כָּל הַנְּשָׁמוֹת, רִבּוֹן כָּל הַמַּעֲשִׂים, הַבּוֹחֵר בְּשִׁירֵי זִמְרָה, עָזְרֵנִי וְחָנֵּנִי בְּרַחֲמֶיךָ הָרַבִּים וּבַחֲסָדֶיךָ הָעֲצוּמִים, שֶׁאֶזְכֶּה לְעוֹרֵר וּלְהוֹצִיא וּלְגַלּוֹת כָּל הָעֲשָׂרָה מִינֵי נְגִינָה שֶׁנֶּאֱמַר בָּהֶם סֵפֶר תְּהִלִּים. וּבִזְכוּת אֵלּוּ הָעֲשָׂרָה קַפִּיטְל תְּהִלִּים שֶׁאָמַרְתִּי לְפָנֶיךָ, שֶׁהֵם כְּנֶגֶד עֲשָׂרָה מִינֵי נְגִינָה שֶׁנֶּאֱמַר בָּהֶם סֵפֶר תְּהִלִּים, שֶׁהֵם:
Meester van de wereld, Heer van alles, Schepper van alle zielen, Gebieder van alle werken, die behagen schept in liederen van lofzang: help mij en wees mij genadig in Uw grote barmhartigheid en Uw machtige gunstbewijzen, dat ik moge verdienen te wekken en voort te brengen en te openbaren alle tien soorten van melodie waarmee het boek der Psalmen is samengesteld. En in de verdienste van deze tien hoofdstukken der Psalmen die ik voor U heb opgezegd, die overeenkomen met de tien soorten van melodie waarmee het boek der Psalmen is samengesteld, welke zijn:
אַשְׁרֵי, בְּרָכָה, מַשְׂכִּיל, שִׁיר, נִצּוּחַ, נִגּוּן, תְּפִלָּה, הוֹדָאָה, מִזְמוֹר, הַלְלוּיָהּ. בִּזְכוּת הַמִּזְמוֹרִים וּבִזְכוּת הַפְּסוּקִים וּבִזְכוּת תֵּבוֹתֵיהֶם וְאוֹתִיּוֹתֵיהֶם וּנְקֻדוֹתֵיהֶם וְטַעֲמֵיהֶם וְהַשֵּׁמוֹת הַיּוֹצְאִים מֵהֶם, מֵרָאשֵׁי תֵּבוֹת וּמִסּוֹפֵי תֵּבוֹת, וּבִזְכוּת דָּוִד הַמֶּלֶךְ עָלָיו הַשָּׁלוֹם עִם כָּל הָעֲשָׂרָה צַדִּיקִים שֶׁיָּסְדוּ סֵפֶר תְּהִלִּים,
Asjree, Beracha, Maskiel, Sjir, Nitsoeach, Niggoen, Tefilla, Hodaä, Mizmor, Halleloeja. In de verdienste van de psalmen, en in de verdienste van de verzen, en in de verdienste van hun woorden en hun letters en hun klinkertekens en hun cantillatietekens, en de Namen die daaruit voortkomen, uit de beginletters en uit de eindletters; en in de verdienste van David de koning, vrede zij over hem, tezamen met alle tien tsaddikiem die het boek der Psalmen hebben gegrondvest,
(וּבִזְכוּת הַצַּדִּיק יְסוֹד עוֹלָם, נַחַל נוֹבֵעַ מְקוֹר חָכְמָה, רַבֵּנוּ רַבִּי נַחְמָן בֶּן פֵיגֶא זְכוּתוֹ יָגֵן עָלֵינוּ, אֲשֶׁר גִּלָּה וְתִקֵּן לוֹמַר אֵלּוּ הָעֲשָׂרָה קַפִּיטְל תְּהִלִּים בִּשְׁבִיל תִּקּוּן הַבְּרִית) וּבִזְכוּת כָּל הַצַּדִּיקִים וְהַחֲסִידִים הָאֲמִתִּיִּים, תְּזַכֵּנִי וּתְחָנֵּנִי שֶׁאֶזְכֶּה בְּרַחֲמֶיךָ הָרַבִּים לְהוֹצִיא כָּל הַטִּפּוֹת קֶרִי שֶׁיָּצְאוּ מִמֶּנִּי לְבַטָּלָה בֵּין בְּשׁוֹגֵג בֵּין בְּמֵזִיד בֵּין בְּאֹנֶס בֵּין בְּרָצוֹן,
(en in de verdienste van de tsaddik, fundament van de wereld, een stromende beek, een bron van wijsheid, onze meester rabbi Nachman, de zoon van Feige, moge zijn verdienste ons beschermen, die geopenbaard en ingesteld heeft het opzeggen van deze tien hoofdstukken der Psalmen ter herstel van het verbond) en in de verdienste van alle ware tsaddikiem en vromen, verwaardig mij en wees mij genadig, dat ik door Uw grote barmhartigheid moge verdienen alle druppels van het zaad voort te brengen die tevergeefs uit mij zijn voortgekomen, hetzij onwetend, hetzij opzettelijk, hetzij onder dwang, hetzij vrijwillig,
אם אומר חס ושלום בשביל מקרה שנזדמן לו באותו הלילה יאמר:
Zegt men het, God verhoede, vanwege een voorval dat hem in die nacht is overkomen, dan zegt hij:
וּבִפְרָט כָּל הַטִּפּוֹת שֶׁיָּצְאוּ מִמֶּנִּי בַּלַּיְלָה הַזֹּאת, עַל יְדֵי מִקְרֶה לַיְלָה שֶׁקָּרָה לִי בַּעֲווֹנוֹתַי הָרַבִּים,
en in het bijzonder alle druppels die deze nacht uit mij zijn voortgekomen, door het nachtelijk voorval dat mij overkomen is vanwege mijn vele zonden,
כֻּלָּם אֶזְכֶּה בְּרַחֲמֶיךָ הָרַבִּים וּבְחֶמְלָתְךָ הַגְּדוֹלָה וּבְכֹחֲךָ הַגָּדוֹל, לְהוֹצִיאָם מֵהַקְּלִפּוֹת וּמֵהַסִּטְרִין אָחֳרָנִין, מִכָּל הַמְּקוֹמוֹת שֶׁנָּפְלוּ וְנִתְפַּזְּרוּ וְנָפוֹצוּ וְנִדְּחוּ לְשָׁם, וְאֵל יִדַּח מִמְּךָ נִדָּח. וְתַכְנִיעַ וּתְשַׁבֵּר וְתַהֲרֹג וְתַעֲקֹר וּתְכַלֶּה וּתְבַטֵּל כָּל הַקְּלִפּוֹת וְכָל הָרוּחִין וְשֵׁדִין וְלִילִין, שֶׁנַּעֲשׂוּ וְנִבְרְאוּ וְנוֹצְרוּ עַל יְדֵי אֵלּוּ הַטִּפּוֹת שֶׁיָּצְאוּ מִמֶּנִּי לְבַטָּלָה, וְתָסִיר מֵהֶם חִיּוּתָם, וְתוֹצִיא וְתִגְזֹל מֵהֶם הַחִיּוּת דִּקְדֻשָּׁה וְכָל הַנִּיצוֹצוֹת הַקְּדוֹשִׁים שֶׁבָּלְעוּ:
moge ik hen alle, door Uw grote barmhartigheid en Uw grote mededogen en Uw grote kracht, verdienen voort te brengen uit de kelipot en uit de Andere Zijde, uit alle plaatsen waarheen zij gevallen en verstrooid en verspreid en verdreven zijn, opdat geen verdrevene van U verdreven blijve. En moogt Gij onderwerpen en verbrijzelen en doden en uitroeien en verdelgen en tenietdoen alle kelipot en alle geesten en demonen en nachtdemonen die gemaakt en geschapen en gevormd zijn door deze druppels die tevergeefs uit mij zijn voortgekomen, en moogt Gij hun levenskracht van hen wegnemen, en uit hen voortbrengen en ontrukken de levenskracht der heiligheid en alle heilige vonken die zij hebben verzwolgen.
רִבּוֹנוֹ שֶׁל עוֹלָם, אֵל חַי וְקַיָּם, חֵי הַחַיִּים, מָלֵא רַחֲמִים, הַדָּן אֶת כָּל הָעוֹלָם לְכַף זְכוּת תָּמִיד, הֶחָפֵץ חֶסֶד וּמַרְבֶּה לְהֵיטִיב. אָבִי אָבִי, גּוֹאֲלֵי וּפוֹדִי, יָדַעְתִּי יְהֹוָה יָדַעְתִּי, כִּי אֲנִי בְּעַצְמִי הַחַיָּב וְהַפּוֹשֵׁעַ, אֲפִלּוּ בְּהַמִּקְרוֹת שֶׁנִּזְדַּמְּנוּ לִי בְּשׁוֹגֵג,
Meester van de wereld, levende en bestendige God, Leven van alle leven, vol van barmhartigheid, die de gehele wereld altijd ten gunste oordeelt, die welbehagen heeft in goedertierenheid en overvloedig weldoet. Mijn Vader, mijn Vader, mijn Verlosser en mijn Bevrijder, ik weet, o Eeuwige, ik weet, dat ik het zelf ben die schuldig is en overtreden heeft, zelfs bij de voorvallen die mij onwetend zijn overkomen,
כִּי לֹא שָׁמַרְתִּי אֶת הַמַּחֲשָׁבָה כְּלָל, וְהִרְהַרְתִּי בַּיּוֹם, עַד שֶׁבָּאתִי לִידֵי טֻמְאָה בַּלַּיְלָה, וְעַל יְדֵי זֶה קִלְקַלְתִּי מַה שֶׁקִּלְקַלְתִּי, וְגָרַמְתִּי מַה שֶׁגָּרַמְתִּי, וְשִחַתְתִּי מַה שְּׁשִּׁחַתְתִּי.
want ik heb mijn gedachten in het geheel niet bewaakt, en overdag heb ik onreine gedachten gekoesterd, totdat ik des nachts tot verontreiniging kwam; en hierdoor heb ik bedorven wat ik bedorven heb, en heb ik veroorzaakt wat ik veroorzaakt heb, en heb ik verdorven wat ik verdorven heb.
אוֹי אוֹי אוֹי, אוֹיָה עַל נַפְשִׁי, אוֹי לְנַפְשִׁי, כִי גָּמַלְתִּי לִי רָעָה. מָה אֹמַר, מָה אֲדַבֵּר, מָה אֶצְטַדָּק, מָה אֹמַר, מָה אֲדַבֵּר, מָה אֶצְטַדָּק, הָאֱלֹהִים מָצָא אֶת עֲוֹנִי. הִנְנִי לִפָנֶיךָ בְּאַשְׁמָה רַבָּה, הִנְנִי לִפָנֶיךָ מַלֵּא בּוּשָׁה וּכְלִמָּה, מָלֵא טִנּוּפִים וְלִכְלוּכִים, מָלֵא תּוֹעֵבוֹת רָעוֹת, וְאֵין שׁוּם לָשׁוֹן בָּעוֹלָם שֶׁאוּכַל לְכַנּוֹת בּוֹ עֹצֶם הָרַחֲמָנוּת שֶׁיֵּשׁ עָלַי, כִּי רַע וָמָר, כִּי נָגַע עַד הַנָּפֶשׁ.
Wee, wee, wee! Ach over mijn ziel, wee mijn ziel, want ik heb mijzelf kwaad aangedaan. Wat zal ik zeggen, wat zal ik spreken, hoe zal ik mij rechtvaardigen? Wat zal ik zeggen, wat zal ik spreken, hoe zal ik mij rechtvaardigen? God heeft mijn ongerechtigheid gevonden. Hier ben ik voor U in grote schuld; hier ben ik voor U, vol schaamte en smaad, vol vuiligheid en bezoedeling, vol boze gruwelen; en er is geen enkele taal ter wereld waarmee ik de omvang van het erbarmen dat over mij is zou kunnen uitdrukken, want het is boos en bitter, want het heeft tot aan de ziel geraakt.
מָר לִי מְאֹד אָבִי שֶׁבַּשָּׁמַיִם, מָר לִי מְאֹד רִבּוֹן כָּל הָעוֹלָמִים, רְאֵה אַנְחָתִי וְאַנְקָתִי, כִּי נַפְשִׁי מָרָה לִי מְאֹד, עַד אֲשֶׁר אֵינִי יוֹדֵעַ אֵיךְ אֲנִי יָכוֹל לִחְיוֹת מֵעֶצֶם מְרִירוּת נַפְשִׁי אֲשֶׁר עַד גָּבְהֵי שָׁמַיִם יַגִּיעַ, כִּי קַצְתִּי בְחַיַּי לָמָּה לִּי חַיִּים כָּאֵלֶּה, חַיִּים מָרִים וּמְרוֹרִים מִמָּוֶת. אֶת קֻבַּעַת כּוֹס הַתַּרְעֵלָה שָׁתִית מָצִית נַפְשִׁי:
Zeer bitter is het mij, mijn Vader in de hemel; zeer bitter is het mij, Gebieder van alle werelden. Zie mijn zuchten en mijn kermen, want mijn ziel is mij uitermate bitter, zozeer dat ik niet weet hoe ik kan blijven leven van de louter bitterheid mijner ziel, die tot de hoogten des hemels reikt; want ik walg van mijn leven. Waartoe zou ik zulk een leven hebben, een leven bitter en bitterder dan de dood? De kelk, de beker der bedwelming, hebt gij gedronken; gij hebt hem leeggedronken, o mijn ziel.
רִבּוֹנוֹ שֶׁל עוֹלָם, אַתָּה לְבַד יָדַעְתָּ, רִבּוּי וְעֹצֶם הַפְּגָמִים הַגְּדוֹלִים הָעֲצוּמִים וְהַנּוֹרָאִים, שֶׁנַּעֲשִׂים עַל יְדֵי זֶה בְּכָל הָעוֹלָמוֹת, וְעַתָּה אֵיךְ אוּכַל לְתַקֵּן זֹאת, וּבַמֶּה יִזְכֶּה נַעַר כָּמוֹנִי לְתַקֵּן אֵת אֲשֶׁר שִׁחַתְתִּי. אַךְ אַף עַל פִּי כֵן יָדַעְתִּי וַאֲנִי מַאֲמִין בֶּאֱמוּנָה שְׁלֵמָה כִּי אֵין שׁוּם יֵאוּשׁ בָּעוֹלָם כְּלָל, וַעֲדַיִן יֶשׁ לִי תִקְוָה, וַעֲדַיִן לֹא אָבְדָה תוֹחַלְתִּי מֵיְהֹוָה, כִּי חַסְדֵי יְהֹוָה כִּי לֹא תָמְנוּ, כִּי לֹא כָלוּ רַחֲמָיו:
Meester van de wereld, Gij alleen kent de menigte en de omvang van de grote, geweldige en ontzagwekkende smetten die hierdoor in alle werelden worden aangericht; en nu, hoe kan ik dit herstellen, en waarmee zal een jongeling als ik verdienen te herstellen wat ik verdorven heb? Maar desondanks weet ik, en ik geloof met volkomen geloof, dat er in het geheel geen wanhoop in de wereld is, en dat ik nog hoop heb, en dat mijn verwachting van de Eeuwige niet vergaan is; want de gunstbewijzen van de Eeuwige zijn niet ten einde, want Zijn barmhartigheden zijn niet uitgeput.
עַל כֵּן בָּאתִי לְפָנֶיךָ יְהֹוָה אֱלֹהַי וֵאלֹהֵי אֲבוֹתַי, אֱלֹהֵי אַבְרָהָם אֱלֹהֵי יִצְחָק וֵאלֹהֵי יַעֲקֹב, וֵאלֹהֵי כָּל הַצַּדִּיקִים וְהַחֲסִידִים הָאֲמִתִּיִּים, וֵאלֹהֵי כָּל יִשְׂרָאֵל, אֱלֹהֵי הָרִאשׁוֹנִים וְהָאַחֲרוֹנִים, שֶׁתְּרַחֵם עָלַי וְתַעֲשֶׂה אֶת אֲשֶׁר בְּחֻקֶּיךָ אֵלֵךְ וְאֶת מִשְׁפָּטֶיךָ אֶשְׁמֹר, וְתָכֹף אֶת יִצְרִי לְהִשְׁתַּעְבֵּד לָךְ, וְתִגְעַר בְּהַיֵּצֶר הָרָע, וּתְגָרְשׁוּ מִמֶּנִּי מֵעַתָּה וְעַד עוֹלָם. וְתִשְׁמְרֵנִי וְתַצִּילֵנִי וּתְפַלְּטֵנִי מֵעַתָּה מִכָּל מִינֵי הִרְהוּרִים רָעִים, וּמִמַּחְשָׁבוֹת רָעוֹת, וּמִפְּגַם הָרְאוּת, וּמִפְּגַם הַדִּבּוּר, וְתַצִּילֵנִי מֵעַתָּה מִכָּל מִינֵי פְּגַם הַבְּרִית שֶׁבָּעוֹלָם, בְּמַחֲשָׁבָה דִּבּוּר וּמַעֲשֶׂה, וְתִהְיֶה עִמִּי תָּמִיד וְתִשְׁמְרֵנִי וְתַצִּילֵנִי מִמִּקְרֶה בֵּין בַּיּוֹם וּבֵין בַּלַּיְלָה מֵעַתָּה וְעַד עוֹלָם:
Daarom ben ik voor U gekomen, o Eeuwige, mijn God en God mijner vaderen, God van Abraham, God van Izaäk en God van Jakob, en God van alle ware tsaddikiem en vromen, en God van heel Israël, God van de eersten en de laatsten, dat Gij U over mij ontfermt en bewerkt dat ik in Uw inzettingen wandel en Uw verordeningen onderhoud, en dat Gij mijn neiging buigt om zich aan U te onderwerpen, en de boze neiging bestraft en haar van mij verdrijft, van nu aan tot in eeuwigheid. En bewaar mij en red mij en verlos mij, van nu aan, van elke soort van boze overpeinzingen, en van boze gedachten, en van de smet van het zien, en van de smet van het spreken; en red mij, van nu aan, van elke soort van smet van het verbond in de wereld, in gedachte, woord en daad; en wees altijd met mij, en bewaar mij en red mij van enig voorval, hetzij overdag hetzij des nachts, van nu aan tot in eeuwigheid.
אָבִינוּ, מֶלֶךְ אֵל חַי וְקַיָּם, גּוֹאֵל חָזָק, שִׁטַּחְתִּי אֵלֶיךָ כַּפָּי, הַצֵּל הַצֵּל, הוֹשִׁיעָה הוֹשִׁיעָה, הַצֵּל לְקוּחִים לַמָּוֶת, הַצֵּל נִרְדָּף וְחַיָּב כָּמוֹנִי, הַצִּילֵנִי מִן הַשְּׁאוֹל תַּחְתִּיּוֹת, תֶּן לִי תִּקְוָה וְלֹא אֹבַד חַס וְשָׁלוֹם, כִּי מַה בֶּצַע בְּדָמִי בְּרִדְתִּי אֶל שָׁחַת, הֲיוֹדְךָ עָפָר, הֲיַגִּיד אֲמִתֶּךָ. דַּלּוּ עֵינַי לַמָּרוֹם, אֲדֹנָי עָשְׁקָה לִּי, עָרְבֵנִי. עֲרֹב עַבְדְּךָ לְטוֹב, אַל יַעַשְׁקֻנִי זֵדִים.
Onze Vader, o Koning, levende en bestendige God, machtige Verlosser, ik heb mijn handen tot U uitgespreid: red, red! verlos, verlos! Red hen die ten dode gevoerd worden; red een vervolgde en schuldige als ik; red mij uit de onderste Sjeool. Geef mij hoop, opdat ik niet verga, God verhoede; want wat voordeel is er in mijn bloed, wanneer ik neerdaal in de groeve? Zal het stof U loven? Zal het Uw trouw verkondigen? Mijn ogen smachten naar de hoogte. Heer, ik word verdrukt; wees mijn borg. Wees borg voor Uw knecht ten goede; laat de overmoedigen mij niet verdrukken.
כִּי אֵין לִי שׁוּם כֹּחַ אֶלָּא בְּפִי, אֵין לִי שׁוּם מָנוֹס וּמִבְטָח כִּי אִם עָלֶיךָ לְבַד, עַל חֲסָדֶיךָ הָעֲצוּמִים לְבַד, עַל רַחֲמֶיךָ הַגְּדוֹלִים, עַל חֶמְלָתְךָ הָאֲמִתִּית, עַל חֲנִינוֹתֶיךָ הַנִּצְחִיּוֹת, וְעַל כֹּחַ וּזְכוּת הַצַּדִּיקִים, שֶׁשָּׁמְרוּ אֶת הַבְּרִית בְּתַכְלִית הַשְּׁלֵמוּת שֶׁאֵין שְׁלֵמוּת אַחֲרָיו. בָּהֶם תָּמַכְתִּי יְתֵדוֹתַי, בָּהֶם אֶשָּעֵן וְאֶסָּמֵךְ, בִּזְכוּתָם וְכֹחָם אֶבְטַח וַאֲקַוֶּה, כִּי לֹא תַעֲזֹב נַפְשִׁי לִשְׁאוֹל, לֹא תִתֵּן חֲסִידְךָ לִרְאוֹת שָׁחַת.
Want ik heb geen enkele kracht dan in mijn mond; ik heb geen toevlucht of vertrouwen dan op U alleen, op Uw geweldige gunstbewijzen alleen, op Uw grote barmhartigheden, op Uw ware mededogen, op Uw eeuwige genadebetoon, en op de kracht en verdienste van de tsaddikiem, die het verbond hebben bewaard in de uiterste volmaaktheid waarna geen volmaaktheid meer is. Op hen heb ik mijn steunpilaren gevestigd; op hen leun en steun ik; op hun verdienste en hun kracht vertrouw en hoop ik; want Gij zult mijn ziel niet aan het dodenrijk overlaten, noch Uw vrome de groeve doen zien.
אֲהָהּ יְהֹוָה מַלְּטֵנִי, אֲהָהּ יְהֹוָה פְּדֵנִי, רְאֵה מְסֻכָּן כָּמוֹנִי, טוֹרֵף בְּלֵב יַמִּים, תְּהוֹם אֶל תְּהוֹם קוֹרֵא לְקוֹל צִנּוֹרֶיךָ, כָּל מִשְׁבָּרֶיךָ וְגַלֶּיךָ עָלַי עָבָרוּ. צוֹד צָדוּנִי כַּצִּפּוֹר, אֹיְבַי חִנָּם. צָמְתוּ בַבּוֹר חַיָּי, וַיַּדּוּ אֶבֶן בִּי. צָפוּ מַיִם עַל רֹאשִׁי, אָמַרְתִּי נִגְזָרְתִּי. קָרָאתִי שִׁמְךָ יְהֹוָה מִבּוֹר תַּחְתִּיּוֹת. קָרָאתִי שִׁמְךָ יְהֹוָה מִבּוֹר תַּחְתִּיּוֹת:
Ach, o Eeuwige, red mij! Ach, o Eeuwige, verlos mij! Zie een verkerende in nood als ik, rondgeslingerd in het hart der zeeën. De afgrond roept tot de afgrond bij het gedruis Uwer waterstromen; al Uw baren en golven zijn over mij heengegaan. Mijn vijanden zonder oorzaak hebben mij als een vogel onophoudelijk gejaagd. Zij hebben mijn leven in de groeve afgesneden en een steen op mij geworpen. Wateren stroomden over mijn hoofd; ik zeide: ik ben afgesneden. Ik heb Uw Naam aangeroepen, o Eeuwige, uit de onderste groeve. Ik heb Uw Naam aangeroepen, o Eeuwige, uit de onderste groeve.
רִבּוֹנוֹ שֶׁל עוֹלָם, רִבּוֹנוֹ שֶׁל עוֹלָם, מָלֵא רַחֲמִים, מָלֵא חֶסֶד חִנָּם, מָלֵא חֲנִינוֹת, מָלֵא רַחֲמָנוּת, מָלֵא טוֹב, מָלֵא רָצוֹן, כְּבָר קִבַּלְנוּ עָלֵינוּ לִקְרֹא אֵלֶיךָ תָּמִיד, וְהִנְנִי מְקַיֵּם קַבָּלָתֵנוּ, וְהִנְנִי קוֹרֵא אֵלֶיךָ מִמָּקוֹם שָׁפָל כָּזֶה, מִמְּקוֹמוֹת מְגֻנִּים כָּאֵלֶּה, מִמַּעֲמַקִּים קְרָאתִיךָ יְהֹוָה, מֵעִמְקֵי עֲמָקִים, מִן הַמֵּצַר קָרָאתִי יָּהּ, עָנָנִי בַמֶּרְחָב יָהּ.
Meester van de wereld, Meester van de wereld, vol van barmhartigheid, vol van vrije goedertierenheid, vol van genade, vol van mededogen, vol van goedheid, vol van welbehagen: wij hebben reeds op ons genomen U altijd aan te roepen, en zie, ik volbreng onze belofte, en zie, ik roep U aan vanuit zulk een lage plaats als deze, vanuit zulke verachtelijke plaatsen. Uit de diepten heb ik U aangeroepen, o Eeuwige, uit de diepste der diepten; uit de benauwdheid heb ik de Eeuwige aangeroepen; de Eeuwige antwoordde mij met een ruime plaats.
וְאִם בַּעֲווֹנוֹתֵינוּ הָרַבִּים יָרַדְנוּ לְמָקוֹם שֶׁיָּרַדְנוּ, וְיָרַדְנוּ עַכְשָׁו בְּעִקְּבוֹת מְשִׁיחָא לִמְקוֹמוֹת נְמוּכִים וּשְׁפָלִים מְאֹד מְאֹד, שֶׁלֹּא יָרְדוּ יִשְׂרָאֵל לְתוֹכָם מֵעוֹלָם, כְּמוֹ שֶׁכָּתוּב: וַתֵּרֶד פְּלָאִים, אֵין מְנַחֵם לָהּ. אַף עַל פִּי כֵן, אֵין אָנוּ מְיָאֲשִׁים עַצְמֵנוּ חַס וְשָׁלוֹם בְּשׁוּם אֹפֶן בָּעוֹלָם כְּלָל, כִּי כְּבָר הִבְטַחְתָּנוּ לַהֲשִׁיבֵנוּ מִמְּצוּלוֹת יָם, כְּמוֹ שֶׁכָּתוּב: אָמַר אֲדֹנָי, מִבָּשָׁן אָשִׁיב, אָשִׁיב מִמְּצוּלוֹת יָם, וּכְתִיב: וְאַף גַּם זֹאת בִּהְיוֹתָם בְּאֶרֶץ אֹיְבֵיהֶם, לֹא מְאַסְתִּים וְלֹא גְעַלְתִּים לְכַלֹּתָם, לְהָפֵר בְּרִיתִי אִתָּם, כִּי אֲנִי יְהֹוָה אֱלֹהֵיהֶם:
En al zijn wij vanwege onze vele zonden neergedaald tot de plaats waarheen wij zijn neergedaald, en zijn wij nu, in de voetstappen van de Masjiach, neergedaald tot zeer, zeer lage en verachtelijke plaatsen, waarin Israël nog nooit is neergedaald, zoals geschreven staat: Zij is wonderbaarlijk neergedaald, er is niemand die haar troost; toch geven wij onszelf, God verhoede, op geen enkele wijze ter wereld aan wanhoop over, want Gij hebt ons reeds beloofd ons uit de diepten der zee terug te brengen, zoals geschreven staat: De Heer heeft gezegd: Uit Basan zal Ik hen terugbrengen, Ik zal hen terugbrengen uit de diepten der zee; en er staat geschreven: En zelfs ook dan, wanneer zij in het land hunner vijanden zijn, zal Ik hen niet verwerpen, noch van hen walgen om hen geheel te verdelgen, om Mijn verbond met hen te verbreken, want Ik ben de Eeuwige, hun God.
רִבּוֹנוֹ שֶׁל עוֹלָם! פְּתַח פִּיךָ לְאִלֵּם כָּמוֹנִי, וְתִשְׁלַח לִי דִּבּוּרִים מִמְּעוֹן קָדְשְׁךָ מִן הַשָּׁמַיִם, בְּאֹפֶן שֶׁאוּכַל לְנַצֵּחַ אוֹתְךָ, לְרַצּוֹת וּלְפַיֵּס אוֹתְךָ, שֶּׁתְּקַבֵּל בְּרַחֲמֶיךָ הָרַבִּים וּבַחֲסָדֶיךָ הָעֲצוּמִים אֶת אֵלּוּ הָעֲשָׂרָה קַפִּיטְל תְּהִלִּים שֶׁאָמַרְתִּי לְפָנֶיךָ, כְּאִלּוּ אֲמָרָם דָּוִד הַמֶּלֶךְ עָלָיו הַשָּׁלוֹם בְּעַצְמוֹ, וְאַף עַל פִּי שֶׁאֵינִי יוֹדֵעַ לְכַוֵּן שׁוּם כַּוָּנָה מֵהַכַּוָּנוֹת הָעֲצוּמוֹת וְהַנּוֹרָאוֹת שֶׁיֵּשׁ בְּאֵלּוּ הָעֲשָׂרָה מִזְמוֹרִים, יְהִי רָצוֹן מִלְּפָנֶיךָ יְהֹוָה אֱלֹהַי וֵאלֹהֵי אֲבוֹתַי, שֶׁתְּהֵא חֲשׁוּבָה לְפָנֶיךָ הָאֲמִירָה בְּפֶה לְבַד, כְּאִלּוּ הִשַּׂגְתִּי וְכִוַּנְתִּי כָּל הַסּוֹדוֹת וְהַכַּוָּנוֹת שֶׁיֵּשׁ בָּהֶם וְיִהְיוּ אֲמָרַי לְרָצוֹן לִפְנֵי אֲדוֹן כָּל.
Meester van de wereld! Open Uw mond voor een stomme als ik, en zend mij woorden vanuit Uw heilige woning, vanuit de hemel, opdat ik het van U moge winnen, om U te vermurwen en te verzoenen, dat Gij in Uw grote barmhartigheid en Uw geweldige gunstbewijzen deze tien hoofdstukken der Psalmen moogt aanvaarden die ik voor U heb opgezegd, als had David de koning, vrede zij over hem, ze zelf opgezegd. En ofschoon ik niet weet hoe ik ook maar een van de geweldige en ontzagwekkende bedoelingen die in deze tien psalmen zijn moet richten, moge het Uw wil zijn, o Eeuwige, mijn God en God mijner vaderen, dat het uitspreken met de mond alleen voor U geacht wordt als had ik alle geheimen en bedoelingen die daarin zijn gevat en gericht; en mogen de woorden van mijn mond welgevallig zijn voor de Heer van alles.
וְהִנְנִי מַשְׁלִיךְ יְהָבִי עָלֶיךָ, וְהִנְנִי מְקַשֵּׁר עַצְמִי לְכָל הַצַּדִּיקִים הָאֲמִתִּיִּים שֶׁבְּדוֹרֵנוּ, וּלְכָל הַצַּדִּיקִים הָאֲמִתִּיִּים שׁוֹכְנֵי עָפָר, קְדוֹשִׁים אֲשֶׁר בָּאָרֶץ הֵמָּה, [וּבִפְרָט לְהַצַּדִּיק יְסוֹד עוֹלָם, נַחַל נֹבֵעַ מְקוֹר חָכְמָה, רַבֵּנוּ נַחְמָן בֶּן פֵיגֶא, זְכוּתוֹ יָגֵן עָלֵינוּ אָמֵן],
En zie, ik werp mijn last op U, en zie, ik verbind mijzelf met alle ware tsaddikiem van onze generatie, en met alle ware tsaddikiem die in het stof wonen, de heiligen die op de aarde zijn, [en in het bijzonder met de tsaddik, fundament van de wereld, een stromende beek, een bron van wijsheid, onze meester Nachman, de zoon van Feige, moge zijn verdienste ons beschermen, amen],
וְעַל דַּעְתָּם וְעַל כַּוָּנָתָם אָמַרְתִּי כָּל אֵלּוּ הָעֲשָׂרָה קַפִּיטְל תְּהִלִּים, וּבִזְכוּתָם וְכֹחָם אֶזְכֶּה לְעוֹרֵר וּלְגַלּוֹת כָּל הָעֲשָׂרָה מִינֵי נְגִינָה שֶׁנֶּאֱמַר בָּהֶם סֵפֶר תְּהִלִּים, שֶׁהֵם: שִׁיר פָּשׁוּט, כָּפוּל, מְשֻׁלָּשׁ, מְרֻבַּע, שֶׁהֵם כְּלוּלִים בְּשִׁמְךָ הַמְּיֻחָד הַגָּדוֹל וְהַקָּדוֹשׁ. וּבִזְכוּת וְכֹחַ הַשֵּׁנִי שֵׁמוֹת הַקְּדוֹשִׁים הָאֵלּוּ בִּמְלוּאָם, שֶׁהֵם אֶל אֱלֹהִים (כָזֶה): אָלֶ"ף לָמֶ"ד, אָלֶ"ף לָמֶ"ד הֵ"י יוּ"ד מֵ"ם, שֶׁהֵם עוֹלִים בְּמִסְפַּר תפ"הֵ (אַרְבַּע מֵאוֹת שְׁמוֹנִים וְחָמֵשׁ), כְּמִסְפַּר תְּהִלִּים.
En naar hun inzicht en naar hun bedoeling heb ik al deze tien hoofdstukken der Psalmen opgezegd; en in hun verdienste en hun kracht moge ik verdienen te wekken en te openbaren alle tien soorten van melodie waarmee het boek der Psalmen is samengesteld, welke zijn: het eenvoudige lied, het dubbele, het drievoudige, het viervoudige, die vervat zijn in Uw unieke, grote en heilige Naam. En in de verdienste en de kracht van deze twee heilige Namen in hun volledige spelling, welke zijn El, Elohim (aldus): Alef-Lamed; Alef-Lamed-Hee-Joed-Mem, die tezamen het getal vierhonderdvijfentachtig vormen, gelijk de getalswaarde van Tehilliem.
בְּכֹחַ אֵלּוּ הַשֵּׁמוֹת תְּזַכֵּנִי לְהוֹצִיא כָּל הַטִּפּוֹת קֶרִי לְבַטָּלָה מִבֶּטֶן הַקְּלִפָּה שֶׁבְּלָעָם, אֲשֶׁר מִסְפַּר שְׁמָהּ עִם הָאוֹתִיּוֹת עוֹלֶה תפ"ה, שֶׁהִיא בַּקְּלִפָּה כְּנֶגֶד קְדֻשַּׁת סֵפֶר תְּהִלִּים, וּבְכֹחַ אֵלּוּ הָעֲשָׂרָה מִזְמוֹרֵי תְּהִלִּים תְּעוֹרֵר הַשֵּׁנִי שֵׁמוֹת הַקְּדוֹשִׁים אֵל אֱלֹהִים, וְתַהֲרֹג וּתְשַׁבֵּר וְתַכְנִיעַ וְתַעֲקֹר וּתְכַלֶּה וּתְבַטֵּל אֶת הַקְּלִפָּה הַזֹּאת שֶׁבְּלָעָם, וְתַכְרִיחַ אוֹתָהּ לְהַפְלִיט כָּל הַטִּפּוֹת הַקְּדוֹשׁוֹת מִבִּטְנָהּ וְקִרְבָּהּ, וְתִמְחֶה שְׁמָהּ וְזִכְרָהּ מִן הָעוֹלָם, וּתְקַיֵּם מִקְרָא שֶׁכָּתוּב: חָיִל בָּלַע וִיקִיאֶנּוּ, מִבִּטְנוֹ יוֹרִישֶׁנּוּ אֶל.
Door de kracht van deze Namen, verwaardig mij alle druppels van het zaad voort te brengen die tevergeefs uit de buik van de kelipa zijn voortgekomen die hen heeft verzwolgen, wier naam tezamen met de letters oploopt tot vierhonderdvijfentachtig, welke in het domein van de kelipa staat tegenover de heiligheid van het boek der Psalmen; en door de kracht van deze tien psalmen van Tehilliem, wek de twee heilige Namen, El Elohim, en dood en verbrijzel en onderwerp en roei uit en verdelg en doe teniet deze kelipa die hen heeft verzwolgen, en dwing haar alle heilige druppels uit haar buik en haar ingewanden uit te werpen, en delg haar naam en haar gedachtenis uit de wereld, en vervul het vers dat geschreven staat: Rijkdom heeft hij verzwolgen, maar hij zal die weer uitspuwen; God zal die uit zijn buik verdrijven.
וְתַהֲרֹג כָּל הַקְּלִפּוֹת שֶׁנִּבְרְאוּ עַל יְדֵי אֵלּוּ הַטִּפּוֹת, וְתוֹצִיא וְתִגְזֹל מֵהֶם הַחִיּוּת דִּקְדֻשָּׁה, וְכָל הַנִּיצוֹצוֹת הַקְּדוֹשׁוֹת שֶׁבָּלְעוּ עַל יְדֵי פְּגַם חֵטְא זֶה, כֻּלָּם תּוֹצִיאֵם וְתַחֲזֹר וּתְקַבְּצֵם בִּקְדוּשָּׁה שֵׁנִית. וּתְזַכֵּנוּ לְקַבֵּל עָלֵינוּ עֹל מַלְכוּת שָׁמַיִם בְּאַהֲבָה תָּמִיד, וְנִזְכֶּה לַעֲסֹק כָּל יָמֵינוּ בְּתוֹרָה וּתְפִלָּה וּמַעֲשִׂים טוֹבִים בֶּאֱמֶת וּבְלֵב שָׁלֵם, בְּאֹפֶן שֶׁנִּזְכֶּה לִבְרֹא גּוּפִים וְכֵלִים קְדוֹשִׁים לְכָל הַנְשָׁמּוֹת דְּאָזְלִן עַרְטִילָאִין עַל יְדֵי עֲווֹנוֹתֵינוּ הָרַבִּים, עַל יְדֵי פְּגַם הַטִּפּוֹת קֶרִי שֶׁיָּצְאוּ מִמֶּנִּי לְבַטָּלָה.
En dood alle kelipot die door deze druppels geschapen zijn, en breng uit hen voort en ontruk hun de levenskracht der heiligheid; en alle heilige vonken die door de smet van deze zonde verzwolgen zijn, breng die alle voort en verzamel ze wederom in de heiligheid. En verwaardig ons het juk van het koninkrijk des hemels altijd in liefde op ons te nemen, en mogen wij verdienen ons al onze dagen bezig te houden met Tora en gebed en goede werken, in waarheid en met een volkomen hart, opdat wij mogen verdienen heilige lichamen en vaten te scheppen voor alle zielen die naakt ronddolen vanwege onze vele ongerechtigheden, door de smet van de druppels van het zaad die tevergeefs uit mij zijn voortgekomen.
רִבּוֹנוֹ שֶׁל עוֹלָם, אַמִּיץ כֹּחַ וְרַב אוֹנִים, עֲשֵׂה מַה שֶּׁתַּעֲשֶׂה בְּרַחֲמֶיךָ הָרַבִּים בְּאֹפֶן שֶׁנִּזְכֶּה לְתַקֵּן פְּגַם הַבְּרִית, פְּגַם טִפֵּי הַמֹּחַ, בֵּין מַה שֶּׁפָּגַמְנוּ בָּזֶה בְּשׁוֹגֵג, בֵּין בְּמֵזִיד, בֵּין בְּאֹנֶס, בֵּין בְּרָצוֹן, עַל הַכֹּל תִּמְחַל וְתִסְלַח לִי אֱלוֹהַּ סְלִיחוֹת, חַנּוּן הַמַּרְבֶּה לִסְלֹחַ, וְנִזְכֶּה לְתַקֵּן כָּל הַפְּגָמִים בִּשְׁלֵמוּת בְּחַיֵּינוּ, בִּזְכוּת הַצַּדִּיקִים הַקְּדוֹשִׁים אֲשֶׁר בָּאָרֶץ הֵמָּה,
Meester van de wereld, machtig van kracht en groot van sterkte, doe wat Gij doen zult in Uw grote barmhartigheid, opdat wij mogen verdienen de smet van het verbond te herstellen, de smet van de druppels van het brein, hetzij wat wij hierin onwetend hebben bevlekt, hetzij opzettelijk, hetzij onder dwang, hetzij vrijwillig; om dit alles vergeef mij en scheld mij kwijt, o God der vergiffenissen, genadige die overvloedig vergeeft, en mogen wij verdienen alle smetten in volmaaktheid te herstellen in ons leven, in de verdienste van de heilige tsaddikiem die op de aarde zijn,
ואם יהיה על קברו הקדוש יאמר:
En bevindt men zich bij zijn heilige graf, dan zegt hij:
וּבִזְכוּת הַצַּדִּיק הַזֶּה הַשּׁוֹכֵן פֹּה, צַדִּיק יְסוֹד עוֹלָם, נַחַל נוֹבֵעַ מְקוֹר חָכְמָה, אֲשֶׁר אֲנִי מְכַתֵּת רַגְלַי וְטִלְטַלְתִּי עַצְמִי בְּטִלְטוּל הַקָּשֶׁה בִּשְׁבִיל לָבוֹא הֵנָּה לְהִשְׁתַּטֵּחַ עַל קֶבֶר הַצַּדִּיק הָאֱמֶת הַקָּדוֹשׁ הַזֶּה, אֲשֶׁר הִבְטִיחָנוּ בְּחַיָּיו הַקְּדוֹשִׁים, לַעֲמֹד בְּעֶזְרָתֵנוּ סֶלָה תָּמִיד, כְּשֶׁנָּבוֹא עַל קִבְרוּ הַקָּדוֹשׁ וְנִתֵּן פְּרוּטָה לִצְדָקָה וְנֹאמַר אֵלּוּ הָעֲשָׂרָה קַפִּיטְל תְּהִלִּים, וְהִנֵּה עָשִׂיתִי מַה שֶׁמֻּטָּל עָלַי, עֲשֵׂה מַה שֶׁעָלֶיךָ.
en in de verdienste van deze tsaddik die hier woont, een tsaddik die het fundament van de wereld is, een stromende beek, een bron van wijsheid, om wiens wil ik mijn voeten afmat en mijzelf met zware tocht heb vermoeid om hierheen te komen en mij neer te werpen op het graf van deze ware en heilige tsaddik, die ons in zijn heilige leven beloofd heeft ons ter hulp te staan, sela, voor altijd, telkens wanneer wij tot zijn heilige graf komen en een muntstuk aan liefdadigheid geven en deze tien hoofdstukken der Psalmen opzeggen; en zie, ik heb gedaan wat mij is opgelegd, doe Gij wat op U rust.
וּמְחֹל לִי וּסְלַח לִי וְכַפֵּר לִי עַל כָּל הַחֲטָאִים וְהָעֲווֹנוֹת וְהַפְּשָׁעִים, שֶׁחָטָאתִי וְשֶׁעָוִיתִי וְשֶׁפָּשַׁעְתִּי לְפָנֶיךָ בְּרְמַ"ח אֵיבָרַי וּשְׁסָ"ה גִּידַי, בְּמַחֲשָׁבָה דִּבּוּר וּמַעֲשֵׂה, וּבַחֲמִשָּׁה חוּשִׁים וּבִשְׁאָר כֹּחוֹת הַגּוּף, וּבִפְרָט מַה שֶׁחָטָאתִי וּפָשַׁעְתִּי וּפָגַמְתִּי נֶגְדֶּךָ בִּפְּגַם הַבְּרִית, שֶׁהוּא כְּלַל כָּל הַתּוֹרָה כֻּלָּהּ, וְהָרַע בְּעֵינֶיךָ עָשִׂיתִי מִנְּעוּרָי עַד הַיּוֹם הַזֶּה.
En vergeef mij en scheld mij kwijt en verzoen voor mij alle zonden en ongerechtigheden en overtredingen, die ik voor U gezondigd en misdaan en overtreden heb met mijn tweehonderdachtenveertig ledematen en driehonderdvijfenzestig pezen, in gedachte, woord en daad, en met de vijf zintuigen en met de overige krachten van het lichaam; en in het bijzonder wat ik tegen U gezondigd en overtreden en bevlekt heb in de smet van het verbond, dat het gehele beginsel van heel de Tora is, en ik heb gedaan wat kwaad is in Uw ogen, van mijn jeugd af tot op deze dag.
עַל הַכֹּל תִּמְחַל וְתִסְלַח וּתְכַפֵּר, מָלֵּא רַחֲמִים, וּתְמַלֵּא כָּל הַשֵּׁמוֹת שֶׁפָּגַמְתִּי בְּשִׁמְךָ הַגָּדוֹל. הֶרֶב כַּבְּסֵנִי מֵעֲוֹנִי, וּמֵחַטָּאתִי טַהֲרֵנִי. תְּחַטְּאֵנִי בְּאֵזוֹב וְאֶטְהָר, תְּכַבְּסֵנִי וּמִשֶּׁלֶג אַלְבִּין. תַּשְׁמִיעֵנִי שָׂשׂוֹן וְשִׂמְחָה, תָּגֵלְנָה עֲצָמוֹת דִּכִּיתָ הַסְתֵּר פָּנֶיךָ מֵחֲטָאָי, וְכָל עֲוֹנֹתַי מְחֵה. מְחֵה פְּשָׁעַי לְמַעַנְךָ כָּאָמוּר: אָנֹכִי אָנֹכִי הוּא מוֹחֶה פְשָׁעֶיךָ לְמַעֲנִי, וְחַטֹּאתֶיךָ לֹא אֶזְכּוֹר.
Om dit alles vergeef en scheld kwijt en verzoen, Gij die vol van barmhartigheid zijt, en vervolledig alle Namen die ik in Uw grote Naam heb bevlekt. Was mij geheel van mijn ongerechtigheid, en reinig mij van mijn zonde. Ontzondig mij met hysop, en ik zal rein zijn; was mij, en ik zal witter dan sneeuw zijn. Doe mij vreugde en blijdschap horen, opdat de beenderen die Gij verbrijzeld hebt zich verheugen. Verberg Uw aangezicht voor mijn zonden, en delg al mijn ongerechtigheden uit. Delg mijn overtredingen uit om Uwentwil, zoals gezegd is: Ik, Ik ben het die uw overtredingen uitdelgt om Mijnentwil, en uw zonden zal Ik niet gedenken.
וְתִמָּלֵא עָלַי בְּרַחֲמִים, וְתִהְיֶה בְּעֶזְרִי תָּמִיד, בִּזְכוּת וְכֹחַ הַצַּדִּיקִים הָאֲמִתִּיִּים, וְתִשְׁמְרֵנִי וְתַצִּילֵנִי תָּמִיד, וְתִתֵּן לִי כֹּחַ לְהִתְגַּבֵּר עַל יִצְרִי וְלָכוֹף וּלְשַׁבֵּר אֶת תַּאֲוָתִי, וְלֹא אֶפְגֹּם עוֹד מַה שֶׁפָּגַמְתִּי, וְלֹא אֶעֱשֶׂה עוֹד הָרַע בְּעֵינֶיךָ, וְלֹא אָשׁוּב עוֹד לְכִסְלָה, אִם אָוֶן פָּעַלְתִּי לֹא אוֹסִיף, כִּי כְּבָר הִבְטַחְתָּנוּ, שֶׁגַּם עַל זֶה מוֹעִיל תְּפִלָּה וּבַקָּשָׁה, לְהִנָּצֵל לְהַבָּא בְּרַחֲמֶיךָ הָאֲמִתִּיִּים מִן הַיֵּצֶר הָרָע וְכַת דִילֵהּ,
En word vervuld van barmhartigheid over mij, en wees mij altijd tot hulp, in de verdienste en de kracht van de ware tsaddikiem, en bewaar mij en red mij altijd, en geef mij kracht om mijn boze neiging te overwinnen en mijn begeerte te buigen en te breken, opdat ik niet meer bevlek wat ik bevlekt heb, en niet meer doe wat kwaad is in Uw ogen, en niet meer tot dwaasheid wederkeer. Heb ik ongerechtigheid bedreven, ik zal het niet meer doen; want Gij hebt ons reeds beloofd dat ook hiervoor gebed en smeking baten, om voortaan door Uw ware barmhartigheid gered te worden van de boze neiging en haar aanhang,
ואם יהיה על קברו הקדוש יאמר:
En bevindt men zich bij zijn heilige graf, dan zegt hij:
וּבִפְרָט עַל מָקוֹם צִיּוֹן הַקָּדוֹשׁ הַזֶּה, עָזְרֵנִי בִּזְכוּת הַצַּדִּיקִים הַגְּנוּזִים פֹּה,
en in het bijzonder op deze heilige grafplaats, help mij in de verdienste van de tsaddikiem die hier verborgen zijn,
וְרַחֵם עָלַי וְתֵן לִי כֹּחַ וּגְבוּרָה מֵאִתָּךְ, שֶׁאֶזְכֶּה לְהִתְגַּבֵּר וְלִכְבֹּשׁ אֶת יִצְרִי תָּמִיד, עַד שֶׁאֶזְכֶּה בְּרַחֲמֶיךָ לְגָרְשׁוֹ וּלְסַלְּקוֹ וּלְבַטְּלוֹ מֵעָלַי לְגַמְרֵי מֵעַתָּה וְעַד עוֹלָם, כִּי כְּבָר כָּלוּ בְּיָגוֹן חַיַּי, וּשְׁנוֹתַי בַּאֲנָחָה. כָּשַׁל בַּעֲוֹנִי כֹּחִי, וַעֲצָמַי עָשֵׁשׁוּ, עַד אֲשֶׁר כָּשַׁל כֹּחַ הַסַּבָּל.
en ontferm U over mij en geef mij kracht en sterkte van Uzelf, dat ik moge verdienen mijn boze neiging altijd te overwinnen en te bedwingen, totdat ik door Uw barmhartigheid moge verdienen haar geheel van mij te verdrijven en te verwijderen en teniet te doen, van nu aan tot in eeuwigheid; want mijn leven is reeds in kommer verteerd, en mijn jaren in gezucht. Mijn kracht is door mijn ongerechtigheid bezweken, en mijn beenderen zijn vervallen, totdat de kracht van de lastdrager bezweek.
רַחֵם עָלַי, אֲבִי אָב הָרַחֲמָן, רַחֵם עָלַי שׁוֹמֵעַ תְּפִלָּה, חוּס וַחֲמֹל עָלַי שׁוֹמֵעַ צְעָקָה, שׁוֹמֵעַ אֲנָחָה, שׁוֹמֵעַ אֲנָקָה. רַחֵם רַחֵם, הַצֵּל הַצֵּל, הוֹשִׁיעָה הוֹשִׁיעָה, אַל יִפֹּל דָּמִי אַרְצָה לְפָנֶיךָ, אַל תִּתֵּן לְשַׁחַת נַפְשִׁי, הַצִּילֵנִי מִדָּמִים אֱלֹהִים אֱלֹהֵי תְשׁוּעָתִי, תְּרַנֵּן לְשׁוֹנִי צִדְקָתֶךָ,
Ontferm U over mij, mijn Vader, barmhartige Vader; ontferm U over mij, Gij die het gebed hoort; spaar mij en heb mededogen met mij, Gij die het roepen hoort, die het zuchten hoort, die het kermen hoort. Ontferm U, ontferm U; red, red; verlos, verlos; laat mijn bloed niet ter aarde vallen voor U; geef mijn ziel niet aan de groeve prijs; red mij van bloedschuld, o God, God mijns heils, opdat mijn tong Uw gerechtigheid jubelend bezinge,
חוּסָה עָלַי כְּרֹב רַחֲמֶיךָ, כְּרֹב חֲסָדֶיךָ, יֶהֱמוּ נָא מֵעֶיךָ וַחֲנִינוֹתֶיךָ עַל עֲלוּב נֶפֶשׁ כָּמוֹנִי, עַל נִרְדָּף כָּמוֹנִי, עַל מְלֻכְלָךְ בַּחֲטָאִים כָּמוֹנִי, עַל חֲסַר דֵּעָה חֲסַר עֵצָה כָּמוֹנִי, כִּי לְךָ לְבַד עֵינֵינוּ תְּלוּיוֹת, לְךָ לְבַד רַעְיוֹנַי צוֹפִיּוֹת, דַּלּוּ עֵינַי לַמָּרוֹם, עֲזֹר נָא הוֹשִׁיעָה נָא, חוּס וַחֲמֹל נָא עָלַי, וְהוֹשִׁיעֵנִי לָשׁוּב אֵלֶיךָ בִּתְשׁוּבָה שְׁלֵמָה בֶּאֱמֶת וּבְלֵב שָׁלֵם, וְאֶזְכֶּה לִהְיוֹת תָּמִיד כִּרְצוֹנְךָ הַטּוֹב מֵעָתָּה וְעַד עוֹלָם, כְּחַסְדְּךָ חַיֵּנִי, וְאֶשְׁמְרָה עֵדוּת פִּיךָ. לֵב טָהוֹר בְּרָא לִי אֱלֹהִים, וְרוּחַ נָכוֹן חַדֵּשׁ בְּקִרְבִּי.
spaar mij naar de overvloed van Uw barmhartigheid, naar de overvloed van Uw goedertierenheid; laat Uw binnenste en Uw ontfermingen bewogen worden over een zieltogende als ik, over een vervolgde als ik, over een met zonden bezoedelde als ik, over een die kennis mist en raad mist als ik; want op U alleen zijn onze ogen gevestigd, op U alleen zien mijn gedachten uit, mijn ogen smachten naar de hoogte. Help toch, verlos toch; spaar mij en heb mededogen met mij toch, en verlos mij, dat ik tot U wederkeer in volkomen inkeer, in waarheid en met een volkomen hart, en moge ik verdienen altijd naar Uw goede wil te zijn, van nu aan tot in eeuwigheid. Naar Uw goedertierenheid, maak mij levend, en ik zal de getuigenis van Uw mond bewaren. Schep mij een rein hart, o God, en vernieuw in mijn binnenste een vaste geest.
וּבְכֵן יְהִי רָצוֹן מִלְּפָנֶיךָ יְהֹוָה אֱלֹהֵינוּ וֵאלֹהֵי אֲבוֹתֵינוּ, אֲדוֹן הַשִּׂמְחָה וְהַחֶדְוָה, אֲשֶׁר לְפָנֶיךָ אֵין שׁוּם עַצְבוּת כְּלָל לְעוֹלָם, כְּמוֹ שֶׁכָּתוּב: הוֹד וְהָדָר לְפָנָיו, עֹז וְחֶדְוָה בִּמְקוֹמוֹ, שֶׁתַּעְזְרֵנִי בְּרַחֲמֶיךָ הָעֲצוּמִים, וּתְזַכֵּנִי לִהְיוֹת בְּשִׂמְחָה תָּמִיד. מְשַׂמֵּחַ נַפְשׁוֹת עֲגוּמִים, שַׂמַּח נַפְשִׁי הָאֻמְלָלָה מְאֹד, הָעֲלוּבָה מְאֹד, הָעֲיֵפָה וְהַצְּמֵאָה וְהָרְעֵבָה אֵלֶיךָ מְאֹד.
En zo moge het Uw wil zijn, o Eeuwige, onze God en God onzer vaderen, Heer van vreugde en blijdschap, voor Wie in het geheel geen droefheid is, nimmer, zoals geschreven staat: Majesteit en luister zijn voor Zijn aangezicht, sterkte en blijdschap zijn in Zijn plaats, dat Gij mij helpt in Uw geweldige barmhartigheid, en mij verwaardigt altijd in vreugde te zijn. Gij die bedroefde zielen verblijdt, verblijd mijn ziel die zeer rampzalig is, zeer ellendig, vermoeid en dorstend en hongerend naar U, zeer.
הָסֵר מִמֶּנִּי יָגוֹן וַאֲנָחָה, שָׂמֵחַ נֶפֶשׁ עַבְדֶּךָ, כִּי אֵלֶיךָ יְהֹוָה נַפְשִׁי אֶשָּׂא. תּוֹדִיעֵנִי אֹרַח חַיִּים, שֹׂבַע שְׂמָחוֹת אֶת פָּנֶיךָ, נְעִימוֹת בִּימִינְךָ נֶצַח. הָשִׁיבָה לִי שָׂשׂוֹן יִשְׁעֶךָ, וְרוּחַ נְדִיבָה תִסְמְכֵנִי. שַׂבְּעֵנִי מִטּוּבֶךָ, וְשַׂמַּח נַפְשִׁי בִּישׁוּעָתֶךָ, וְטַהֵר לִבִּי לְעָבְדְּךָ בֶּאֱמֶת. עוּרָה כְבוֹדִי, עוּרָה הַנֵּבֶל וְכִנּוֹר, אָעִירָה שָּׁחַר.
Neem van mij weg kommer en gezucht; verblijd de ziel van Uw knecht, want tot U, o Eeuwige, hef ik mijn ziel op. Maak mij het pad des levens bekend; verzadiging van vreugden is voor Uw aangezicht, liefelijkheden zijn aan Uw rechterhand voor eeuwig. Geef mij de vreugde van Uw heil weder, en een gewillige geest ondersteune mij. Verzadig mij met Uw goedheid, en verblijd mijn ziel met Uw verlossing, en reinig mijn hart om U in waarheid te dienen. Waak op, mijn eer; waak op, luit en harp; ik zal de dageraad wekken.
זַכֵּנִי לְכָל הָעֲשָׂרָה מִינֵי נְגִינָה דִּקְדֻשָּׁה, שֶׁהֵם מַכְנִיעִים וּמְתַקְּנִים פְּגַם הַבְּרִית, כָּאָמוּר: אֲבָרֵךְ אֶת יְהֹוָה אֲשֶׁר יְעָצָנִי, אַף לֵילוֹת יִסְּרוּנִי כִלְיוֹתָי: לְדָוִד מַשְׂכִּיל, אַשְׁרֵי נָשׂוּי פֶּשַׁע כְּסוּי חֲטָאָה: בַּיִת וָהוֹן נַחֲלַת אֲבוֹת, וּמֵיְהֹוָה אִשָּׁה מַשְׂכָּלֶת: יוֹמָם יְצַוֶּה יְהֹוָה חַסְדּוֹ, וּבַלַּיְלָה שִׁירֹה עִמִּי, תְּפִלָּה לְאֵל חַיַּי:
Verwaardig mij tot alle tien soorten van heilige melodie, die de smet van het verbond onderwerpen en herstellen, zoals gezegd is: Ik zal de Eeuwige loven, die mij raad gegeven heeft; zelfs des nachts onderrichten mij mijn nieren. Een Maskiel van David: Welgelukzalig is hij wiens overtreding vergeven is, wiens zonde bedekt is. Huis en goed zijn een erfenis der vaderen, maar een verstandige vrouw is van de Eeuwige. Overdag zal de Eeuwige Zijn goedertierenheid gebieden, en des nachts zal Zijn lied bij mij zijn, een gebed tot de God mijns levens.
לַמְנַצֵּחַ אֶל תַּשְׁחֵת לְדָוִד מִכְתָּם בִּשְׁלֹחַ שָׁאוּל וַיִּשְׁמְרוּ אֶת הַבַּיִת לַהֲמִיתוֹ: אֶזְכְּרָה נְגִינָתִי בַּלַּיְלָה, עִם לְבָבִי אָשִׂיחָה וַיְחַפֵּשׂ רוּחִי: הֲיֵאָכֵל תָּפֵל מִבְּלִי מֶלַח, אִם יֶשׁ טַעַם בְּרִיר חַלָּמוּת. פֶּן תִּתֵּן לַאֲחֵרִים הוֹדֶךָ, וּשְׁנוֹתֶיךָ לְאַכְזָרִי, וְלֹא אָמַר אַיֵּה אֱלֹהַי עֹשָׂי, נוֹתֵן זְמִירוֹת בַּלָּיְלָה: שֶׁקֶר הַחֵן וְהֶבֶל הַיֹּפִי, אִשָּׁה יִרְאַת יְהֹוָה הִיא תִּתְהַלָּל:
Voor de opperzangmeester, Al-tasjcheet, een Michtam van David, toen Saul zond, en zij het huis bewaakten om hem te doden: Ik gedenk mijn lied in de nacht; met mijn eigen hart houd ik overleg, en mijn geest vorst na. Kan het smakeloze zonder zout gegeten worden? Is er enige smaak in het sap van de maluwe? Opdat gij uw luister niet aan anderen geeft, en uw jaren aan de wrede; en men heeft niet gezegd: Waar is God, mijn Maker, die gezangen geeft in de nacht. Bedrieglijk is de bevalligheid en ijdel de schoonheid, maar een vrouw die de Eeuwige vreest, zij zal geprezen worden.
וְנֶאֱמַר: הַלְלוּיָה, הַלְלוּ אֵל בְּקָדְשׁוֹ, הַלְלוּהוּ בִּרְקִיעַ עֻזּוֹ. הַלְלוּהוּ בִּגְבוּרוֹתָיו, הַלְלוּהוּ כְּרֹב גֻּדְלוֹ. הַלְלוּהוּ בְּתֵקַע שׁוֹפָר, הַלְלוּהוּ בְּנֵבֶל וְכִנּוֹר. הַלְלוּהוּ בְּתֹף וּמָחוֹל, הַלְלוּהוּ בְּמִנִּים וְעֻגָב: הַלְלוּהוּ בְּצִלְצְלֵי שָׁמַע, הַלְלוּהוּ בְּצִלְצְלֵי תְרוּעָה. כָּל הַנְּשָׁמָה תְּהַלֵּל יָהּ, הַלְלוּיָהּ.
En er is gezegd: Halleloeja. Looft God in Zijn heiligdom; looft Hem in het uitspansel Zijner sterkte. Looft Hem om Zijn machtige daden; looft Hem naar de veelheid Zijner grootheid. Looft Hem met bazuingeschal; looft Hem met luit en harp. Looft Hem met tamboerijn en reidans; looft Hem met snaren en fluit. Looft Hem met helder klinkende cimbalen; looft Hem met schallende cimbalen. Alles wat adem heeft, love de Eeuwige. Halleloeja.
רִבּוֹנוֹ שֶׁל עוֹלָם, תְּקַע בְּשׁוֹפָר גָּדוֹל לְחֵרוּתֵנוּ, וְשָׂא נֵס לְקַבֵּץ גָּלֻיּוֹתֵינוּ, וְקָרֵב פְּזוּרֵנוּ מִבֵּין הַגּוֹיִם, וּנְפוּצוֹתֵינוּ כַּנֵּס מִיַּרְכְּתֵי אָרֶץ, וְקַבֵּץ נִדָּחֵינוּ יַחַד מֵאַרְבַּע כַּנְפוֹת הָאָרֶץ לְאַרְצֵנוּ, וְקַיֶּם בָּנוּ מִקְרָא שֶׁכָּתוּב: וְשָׁב יְהֹוָה אֱלֹהֶיךָ אֶת שְׁבוּתְךָ וְרִחַמֶךָ, וְשָׁב וְקִבֶּצְךָ מִכָּל הָעַמִּים אֲשֶׁר הֱפִיצְךָ יְהֹוָה אֱלֹהֶיךָ שָׁמָּה.
Meester van de wereld, blaas op de grote sjofar voor onze vrijheid, en hef een banier op om onze ballingen te verzamelen, en breng onze verstrooiden nabij uit het midden der volken, en onze verspreiden vergader uit de einden der aarde, en verzamel onze verdrevenen tezamen van de vier hoeken der aarde tot ons land, en vervul in ons het vers dat geschreven staat: En de Eeuwige, uw God, zal uw gevangenschap wenden en Zich over u ontfermen, en Hij zal wederkeren en u verzamelen uit al de volken waarheen de Eeuwige, uw God, u verstrooid heeft.
אִם יִהְיֶה נִדַּחֲךָ בִּקְצֵה הַשָּׁמָיִם, מִשָּׁם יְקַבֶּצְךָ יְהֹוָה אֱלֹהֶיךָ וּמִשָּׁם יִקָּחֶךָ. וֶהֱבִיאֲךָ יְהֹוָה אֱלֹהֶיךָ אֶל הָאָרֶץ אֲשֶׁר יָרְשׁוּ אֲבֹתֶיךָ וִירִשְׁתָּהּ, וְהֵיטִיבְךָ וְהִרְבְּךָ מֵאֲבֹתֶיךָ. וְנֶאֱמַר: נְאֻם אֲדֹנִי יהֹוָה, מְקַבֵּץ נִדְחֵי יִשְׂרָאֵל, עוֹד אֲקַבֵּץ עָלָיו לְנִקְבָּצָיו. וְנֶאֱמַר: בּוֹנֶה יְרוּשָׁלַיִם יְהֹוָה נִדְחֵי יִשְׂרָאֵל יְכַנֵּס. וּתְמַהֵר וְתָחִישׁ לְגָאֳלֵנוּ, וְתָבִיא לָנוּ אֶת מְשִׁיחַ צִדְקֵנוּ, וְתִבְנֶה אֶת בֵּית קָדְשֵׁנוּ וְתִפְאַרְתֵּנוּ, וַהֲבִיאֵנוּ לְצִיּוֹן עִירְךָ בְּרִנָּה, וְלִירוּשָׁלַיִם בֵּית מִקְדָּשְׁךָ בְּשִׂמְחַת עוֹלָם, כְּמוֹ שֶׁכָּתוּב: וּפְדוּיֵי יְהֹוָה יְשֻׁבוּן וּבָאוּ צִיּוֹן בְּרִנָּה וְשִׂמְחַת עוֹלָם עַל רֹאשָׁם, שָׂשׂוֹן וְשִׂמְחָה יַשִּׂיגוּ וְנָסוּ יָגוֹן וַאֲנָחָה.
Al waren uw verdrevenen aan het einde des hemels, vandaar zal de Eeuwige, uw God, u verzamelen, en vandaar zal Hij u halen. En de Eeuwige, uw God, zal u brengen in het land dat uw vaderen bezeten hebben, en gij zult het bezitten, en Hij zal u weldoen en u talrijker maken dan uw vaderen. En er is gezegd: Aldus spreekt de Heer, de Eeuwige, die de verdrevenen van Israël verzamelt: Nog zal Ik anderen tot hem vergaderen, benevens de reeds tot hem vergaderden. En er is gezegd: De Eeuwige bouwt Jeruzalem; de verdrevenen van Israël vergadert Hij. En haast en verhaast onze verlossing, en breng ons onze rechtvaardige Masjiach, en bouw ons heilig huis en onze luister, en breng ons tot Sion, Uw stad, met gejubel, en tot Jeruzalem, het huis van Uw heiligdom, met eeuwige vreugde, zoals geschreven staat: En de vrijgekochten van de Eeuwige zullen wederkeren en tot Sion komen met gejubel, en eeuwige vreugde zal op hun hoofd zijn; blijdschap en vreugde zullen zij verkrijgen, en kommer en gezucht zullen wegvluchten.
וְנֶאֱמַר: כִּי בְשִׂמְחָה תֵצְאוּ וּבְשָׁלוֹם תּוּבָלוּן, הֶהָרִים וְהַגְּבָעוֹת יִפְצְחוּ לִפְנֵיכֶם רִנָּה, וְכָל עֲצֵי הַשָּׂדֶה יִמְחֲאוּ כַף. וְנֶאֱמַר: כִּי נִחַם יהֹוָה צִיּוֹן, נִחַם כָּל חָרְבוֹתֶיהָ, וַיָּשֶׂם מִדְבָּרָהּ כְּעֵדֶן וְעַרְבָתָהּ כְּגַן יְהֹוָה, שָׂשׂוֹן וְשִׂמְחָה יִמָּצֵא בָהּ, תּוֹדָה וְקוֹל זִמְרָה. שִׂמְחוּ בַּיהֹוָה וְגִילוּ צַדִּיקִים וְהַרְנִינוּ כָּל יִשְׁרֵי לֵב. אוֹר זָרֻעַ לַצַּדִּיק, וּלְיִשְׁרֵי לֵב שִׂמְחָה. שִׂמְחוּ צַדִּיקִים בַּיהֹוָה, וְהוֹדוּ לְזֵכֶר קָדְשׁוֹ. אָמֵן נֶצַח סֶלָה וָעֶד.
En er is gezegd: Want met vreugde zult gij uittrekken en in vrede geleid worden; de bergen en de heuvelen zullen voor uw aangezicht uitbreken in gejubel, en alle bomen des velds zullen in de handen klappen. En er is gezegd: Want de Eeuwige heeft Sion getroost; Hij heeft al haar puinhopen getroost, en heeft haar woestijn als Eden gemaakt en haar wildernis als de hof van de Eeuwige; blijdschap en vreugde zullen in haar gevonden worden, dankzegging en de stem van het gezang. Verheugt u in de Eeuwige en juicht, o rechtvaardigen, en jubelt, alle oprechten van hart. Het licht is voor de rechtvaardige gezaaid, en vreugde voor de oprechten van hart. Verheugt u, rechtvaardigen, in de Eeuwige, en looft de gedachtenis Zijner heiligheid. Amen, in eeuwigheid, sela en immer.