עַל נַהֲרוֹת בָּבֶל שָׁם יָשַׁבְנוּ גַּם בָּכִינוּ בְּזָכְרֵנוּ אֶת צִיּוֹן:
Aan de rivieren van Babylon, daar zaten wij, ook weenden wij toen wij aan Sion dachten.
עַל עֲרָבִים בְּתוֹכָהּ תָּלִינוּ כִּנֹּרוֹתֵינוּ:
Aan de wilgen in haar midden hingen wij onze harpen.
כִּי שָׁם שְׁאֵלוּנוּ שׁוֹבֵינוּ דִּבְרֵי שִׁיר וְתוֹלָלֵינוּ שִׂמְחָה שִׁירוּ לָנוּ מִשִּׁיר צִיּוֹן:
Want daar vroegen onze gevangenhouders ons om woorden van een lied en onze kwellers om vrolijkheid: "Zing voor ons een van de liederen van Sion."
אֵיךְ נָשִׁיר אֶת שִׁיר יְהוָה עַל אַדְמַת נֵכָר:
"Hoe zouden wij het lied van de Eeuwige zingen op vreemde bodem?"
אִם אֶשְׁכָּחֵךְ יְרוּשָׁלִָם תִּשְׁכַּח יְמִינִי:
Als ik u vergeet, Jeruzalem, moge mijn rechterhand zijn vaardigheid vergeten.
תִּדְבַּק לְשׁוֹנִי לְחִכִּי אִם לֹא אֶזְכְּרֵכִי אִם לֹא אַעֲלֶה אֶת יְרוּשָׁלִַם עַל רֹאשׁ שִׂמְחָתִי:
Moge mijn tong aan mijn gehemelte kleven, als ik u niet gedenk, als ik Jeruzalem niet verhef boven mijn hoogste vreugde.
זְכֹר יְהוָה לִבְנֵי אֱדוֹם אֵת יוֹם יְרוּשָׁלִָם הָאֹמְרִים עָרוּ עָרוּ עַד הַיְסוֹד בָּהּ:
Gedenk, Eeuwige, ten laste van de zonen van Edom de dag van Jeruzalem, hen die zeiden: "Breek het af, breek het af, tot op zijn fundament!"
בַּת בָּבֶל הַשְּׁדוּדָה אַשְׁרֵי שֶׁיְשַׁלֶּם לָךְ אֶת גְּמוּלֵךְ שֶׁגָּמַלְתְּ לָנוּ:
O dochter van Babylon, die voorbestemd is geplunderd te worden, gelukkig is hij die u vergeldt wat u ons hebt aangedaan.
אַשְׁרֵי שֶׁיֹּאחֵז וְנִפֵּץ אֶת עֹלָלַיִךְ אֶל הַסָּלַע:
Gelukkig is hij die uw kinderen zal grijpen en tegen de rots verbrijzelen.