מִכְתָּם לְדָוִד שָׁמְרֵנִי אֵל כִּי חָסִיתִי בָךְ:
Een michtam van David; o God, bewaar mij, want bij U heb ik geschuild.
אָמַרְתְּ לַיהוָה אֲדֹנָי אָתָּה טוֹבָתִי בַּל עָלֶיךָ:
Gij, mijn ziel, hebt tot de Eeuwige gezegd: "Gij zijt mijn Heer; mijn welzijn rust niet op U."
לִקְדוֹשִׁים אֲשֶׁר בָּאָרֶץ הֵמָּה וְאַדִּירֵי כָּל חֶפְצִי בָם:
Maar voor de heiligen die in het land zijn, en de heerlijken, in hen is al mijn welbehagen.
יִרְבּוּ עַצְּבוֹתָם אַחֵר מָהָרוּ בַּל אַסִּיךְ נִסְכֵּיהֶם מִדָּם וּבַל אֶשָּׂא אֶת שְׁמוֹתָם עַל שְׂפָתָי:
Mogen de smarten vermeerderen van hen die zich naar een andere [godheid] haasten; ik zal hun plengoffers van bloed niet uitgieten, noch hun namen op mijn lippen nemen.
יְהוָה מְנָת חֶלְקִי וְכוֹסִי אַתָּה תּוֹמִיךְ גּוֹרָלִי:
De Eeuwige is mijn toebedeelde erfdeel en mijn beker; Gij zijt het die mijn lot bestendigt.
חֲבָלִים נָפְלוּ לִי בַּנְּעִמִים אַף נַחֲלָת שָׁפְרָה עָלָי:
De meetsnoeren zijn voor mij in liefelijke plaatsen gevallen; ja, het erfdeel behaagt mij.
אֲבָרֵךְ אֶת יְהוָה אֲשֶׁר יְעָצָנִי אַף לֵילוֹת יִסְּרוּנִי כִלְיוֹתָי:
Ik zal de Eeuwige loven, die mij raad gegeven heeft; zelfs des nachts onderricht mijn geweten mij.
שִׁוִּיתִי יְהוָה לְנֶגְדִּי תָמִיד כִּי מִימִינִי בַּל אֶמּוֹט:
Ik stel de Eeuwige bestendig voor mij; omdat Hij aan mijn rechterhand is, zal ik niet wankelen.
לָכֵן שָׂמַח לִבִּי וַיָּגֶל כְּבוֹדִי אַף בְּשָׂרִי יִשְׁכֹּן לָבֶטַח:
Daarom verheugt zich mijn hart en juicht mijn ziel; ook mijn vlees zal in veiligheid wonen.
כִּי לֹא תַעֲזֹב נַפְשִׁי לִשְׁאוֹל לֹא תִתֵּן חֲסִידְךָ לִרְאוֹת שָׁחַת:
Want Gij zult mijn ziel niet aan het graf overlaten; Gij zult niet toelaten dat Uw vrome het verderf aanschouwt.
תּוֹדִיעֵנִי אֹרַח חַיִּים שֹׂבַע שְׂמָחוֹת אֶת פָּנֶיךָ נְעִמוֹת בִּימִינְךָ נֶצַח:
Gij zult mij de weg van het leven doen kennen, de volheid van vreugde voor Uw aangezicht. Er is liefelijkheid in Uw rechterhand, in eeuwigheid.