לַמְנַצֵּחַ מַשְׂכִּיל לִבְנֵי קֹרַח:
Voor de koorleider, een maskil van de zonen van Korach.
כְּאַיָּל תַּעֲרֹג עַל אֲפִיקֵי מָיִם כֵּן נַפְשִׁי תַעֲרֹג אֵלֶיךָ אֱלֹהִים:
Zoals een hert smacht naar waterstromen, zo smacht mijn ziel naar U, o God.
צָמְאָה נַפְשִׁי לֵאלֹהִים לְאֵל חָי מָתַי אָבוֹא וְאֵרָאֶה פְּנֵי אֱלֹהִים:
Mijn ziel dorst naar God, naar de levende God; wanneer zal ik komen en voor Gods aangezicht verschijnen?
הָיְתָה לִּי דִמְעָתִי לֶחֶם יוֹמָם וָלָיְלָה בֶּאֱמֹר אֵלַי כָּל הַיּוֹם אַיֵּה אֱלֹהֶיךָ:
Mijn tranen waren mijn brood dag en nacht, terwijl zij de hele dag tot mij zeggen: “Waar is uw God?”
אֵלֶּה אֶזְכְּרָה וְאֶשְׁפְּכָה עָלַי נַפְשִׁי כִּי אֶעֱבֹר בַּסָּךְ אֶדַּדֵּם עַד בֵּית אֱלֹהִים בְּקוֹל רִנָּה וְתוֹדָה הָמוֹן חוֹגֵג:
Deze dingen zal ik gedenken, en ik zal mijn ziel uitstorten vanwege de pijn die op mij rust, hoe ik met de schare optrok; ik schreed langzaam met hen voort tot aan het huis van God onder vreugdegeroep en dankzegging, een feestvierende menigte.
מַה תִּשְׁתּוֹחֲחִי נַפְשִׁי וַתֶּהֱמִי עָלָי הוֹחִילִי לֵאלֹהִים כִּי עוֹד אוֹדֶנּוּ יְשׁוּעוֹת פָּנָיו:
Waarom buigt u zich neer, mijn ziel, en waarom bent u onrustig in mij? Hoop op God, want ik zal Hem nog danken voor de verlossingen van Zijn aangezicht.
אֱלֹהַי עָלַי נַפְשִׁי תִשְׁתּוֹחָח עַל כֵּן אֶזְכָּרְךָ מֵאֶרֶץ יַרְדֵּן וְחֶרְמוֹנִים מֵהַר מִצְעָר:
Mijn God, mijn ziel buigt zich neer in mij; daarom zal ik U gedenken vanuit het land van de Jordaan en de toppen van de Hermon, vanaf de kleine berg.
תְּהוֹם אֶל תְּהוֹם קוֹרֵא לְקוֹל צִנּוֹרֶיךָ כָּל מִשְׁבָּרֶיךָ וְגַלֶּיךָ עָלַי עָבָרוּ:
Diepte roept tot diepte bij het bruisen van Uw waterstromen; al Uw baren en golven zijn over mij heen gegaan.
יוֹמָם יְצַוֶּה יְהוָה חַסְדּוֹ וּבַלַּיְלָה (שירה) שִׁירוֹ עִמִּי תְּפִלָּה לְאֵל חַיָּי:
Overdag gebiede de Eeuwige Zijn goedertierenheid, en in de nacht zij Zijn rustplaats bij mij, een gebed tot de God van mijn leven.
אוֹמְרָה לְאֵל סַלְעִי לָמָה שְׁכַחְתָּנִי לָמָּה קֹדֵר אֵלֵךְ בְּלַחַץ אוֹיֵב:
Ik zal tot God, mijn Rots, zeggen: “Waarom hebt U mij vergeten? Waarom moet ik in droefheid gaan onder de verdrukking van de vijand?”
בְּרֶצַח בְּעַצְמוֹתַי חֵרְפוּנִי צוֹרְרָי בְּאָמְרָם אֵלַי כָּל הַיּוֹם אַיֵּה אֱלֹהֶיךָ:
Als met moord in mijn beenderen hebben mijn verdrukkers mij gesmaad door de hele dag tot mij te zeggen: “Waar is uw God?”
מַה תִּשְׁתּוֹחֲחִי נַפְשִׁי וּמַה תֶּהֱמִי עָלָי הוֹחִילִי לֵאלֹהִים כִּי עוֹד אוֹדֶנּוּ יְשׁוּעֹת פָּנַי וֵאלֹהָי:
Waarom buigt u zich neer, mijn ziel, en waarom bent u onrustig in mij? Hoop op God, want ik zal Hem nog danken voor de verlossingen van mijn aangezicht en mijn God.