Dit is de zegen
De parasja opent door ons te vertellen dat dit de zegen is waarmee Mosje, de man van God, de kinderen van Israël zegent vlak voor zijn dood. Hij begint met een majestueus beeld van God die tevoorschijn komt vanaf Sinai, stralend over het volk en in heiligheid naderend. Hij haalt aan dat Mosje Israël de Tora gaf als een gekoesterd erfdeel voor de hele gemeente, en dat God Koning werd over een verenigd volk. Met deze woorden beginnen de afscheidszegeningen, geschonken als een gave van liefde van een leider aan het volk dat hij heeft gedragen.
De stammen zegenen
Mosje zegent dan de stammen van Israël een voor een, en geeft elk zijn eigen woorden. Hij vraagt leven voor Reuven (Ruben), en dat de stem van Jehoeda (Juda) wordt gehoord en thuisgebracht bij zijn volk. Hij prijst Levi voor het onderwijzen van Gods wet en het verzorgen van de heilige dienst, noemt Binjamin (Benjamin) de geliefde die veilig rust aan Gods zijde, en stort bijzondere overvloed uit over Josef (Jozef), en zegent zijn land met de keurigste gaven van hemel en aarde. Zevoeloen (Zebulon) en Jissachar (Issaschar) worden gezegend in hun tochten en hun tenten, Gad en Dan worden met leeuwen vergeleken, Naftali is vervuld van Gods gunst, en Asjer wordt gezegend met kracht en overvloed, en doopt zijn voet in olie. Elke stam ontvangt een zegen die past bij zijn eigen aard en roeping.
Niemand is als God
De zegeningen stijgen op naar een triomfantelijk slot. Mosje verklaart dat er niemand is als God, die over de hemel rijdt om Zijn volk te helpen en wiens eeuwig wezen hun woonplaats is, met de eeuwige armen onder hen om hen te dragen. Hij verdrijft de vijand voor hen uit en vestigt Israël in veiligheid en zegen. Gelukkig ben jij, Israël, roept hij: wie is als jij, een volk verlost en beschermd door God Zelf? Het is een verheven klank van vertrouwen om een leven van leiderschap mee te besluiten.
Het uitzicht vanaf Nevo
Mosje beklimt dan vanaf de vlakten van Moav (Moab) de berg Nevo, tot de top van de Pisga, tegenover Jericho. Daar toont God hem het hele Beloofde Land uitgespreid voor zijn ogen, van de Gilad tot Dan, over de gebieden van de noordelijke en zuidelijke stammen, en omlaag tot de palmstad Jericho en de vlakte daaronder. Dit, zegt God hem, is het land dat is gezworen aan Avraham (Abraham), Jitschak (Isaak) en Jaakov (Jakob) voor hun nakomelingen. God heeft Mosje het met eigen ogen laten zien, en toch zal hij niet oversteken om het binnen te gaan. Het moment houdt zowel vervulling als stille droefheid in.
Het heengaan van Mosje
Daar in het land Moav sterft Mosje, de dienaar van God, op de leeftijd van honderdtwintig jaar, door de mond van God, wat de traditie verstaat als een heengaan door een zachte goddelijke kus. God Zelf begraaft hem in het dal, en tot op deze dag kent niemand de plaats van zijn graf. Al heeft hij zo'n leeftijd bereikt, zijn ogen zijn niet verzwakt en zijn kracht niet vervlogen. Israël beweent hem dertig dagen, en Jehosjoea (Jozua), vervuld van de geest van wijsheid omdat Mosje hem de handen had opgelegd, neemt het leiderschap op zich. De Tora geeft Mosje het laatste woord van lof: nooit meer is er in Israël een profeet opgestaan als hij, die God van aangezicht tot aangezicht kende, en die voor heel Israël de machtige tekenen en wonderen verrichtte die niemand heeft geëvenaard.
