קְרִיאַת שְׁמַע עַל הַמִּטָּה

Sjema voor het slapengaan

Gebeden die voor het slapengaan worden uitgesproken, waaronder de Sjema en beschermende gebeden.

Open in Am Hazak

רִבּוֹנוֹ שֶׁל עוֹלָם הֲרֵינִי מוֹחֵל לְכָל מִי שֶׁהִכְעִיס וְהִקְנִיט אוֹתִי אוֹ שֶׁחָטָא כְּנֶגְדִּי בֵּין בְּגוּפִי בֵּין בְּמָמוֹנִי בֵּין בִּכְבוֹדִי בֵּין בְּכָל אֲשֶׁר לִי בֵּין בְּאֹנֶס בֵּין בְּרָצוֹן בֵּין בְּשׁוֹגֵג בֵּין בְּמֵזִיד בֵּין בְּדִבּוּר בֵּין בְּמַעֲשֶׂה בֵּין בְּגִלְגּוּל זֶה בֵּין בְּגִלְגּוּל אַחֵר לְכָל בֶּן אָדָם וְלֹא יֵעָנֵשׁ שׁוּם אָדָם בְּסִיבָּתִי: יְהִי רָצוֹן מִלְפָנֶיךָ יְהֹוָה אֱלֹהַי וְאֱלֹהֵי אֲבוֹתַי שֶׁלֹא אֶחֱטָא עוֹד וְלֹא אֶחֱזֹר בָּהֶם, וְלֹא אָשׁוּב עוֹד לְהַכְעִיסֶךָ וְלֹא אֶעֱשֶׂה הָרַע בְּעֵינֶיךָ, וּמָה שֶּׁחָטָאתִי לְפָנֶיךָ מְחֹק בְּרַחֲמֶיךָ הָרַבִּים, אֲבָל לֹא עַל יְדֵי יִסוּרִים וְחֳלָיִם רָעִים: יִהְיוּ לְרָצוֹן אִמְרֵי פִי וְהֶגְיוֹן לִבִּי לְפָנֶיךָ, יְהֹוָה צוּרִי וְגֹאֲלִי:

Meester van de wereld, ik vergeef hierbij eenieder die mij vertoornd of getergd heeft of tegen mij gezondigd heeft, hetzij tegen mijn lichaam, mijn bezit, mijn eer, of iets dat van mij is, hetzij onder dwang of vrijwillig, hetzij onopzettelijk of opzettelijk, hetzij door woord of door daad, hetzij in deze incarnatie of een andere incarnatie, ieder menselijk wezen; moge geen mens om mijnentwil gestraft worden; moge het Uw wil zijn, Eeuwige, mijn God en God van mijn vaderen, dat ik niet meer zondig en dat niet herhaal, en dat ik U niet langer vertoorn of doe wat kwaad is in Uw ogen; en wat ik ook voor U gezondigd heb, wis het uit met Uw overvloedige barmhartigheid, maar niet door lijden of zware ziekte; mogen de woorden van mijn mond en de overpeinzing van mijn hart welgevallig zijn voor U, Eeuwige, mijn Rots en mijn Verlosser:

בָּרוּךְ אַתָּה יְיָ אֱלֹקֵינוּ מֶלֶך הָעוֹלָם הַמַּפִּיל חֶבְלֵי שֵׁנָה עַל עֵינַי וּתְנוּמָה עַל עַפְעַפַּי, וִיהִי רָצוֹן מִלְּפָנֶיךָ יְיָ אֱלֹקַי וֵאלֹקֵי אֲבוֹתַי שֶתַּשְׁכִּיבֵנִי לְשָׁלוֹם וְתַעֲמִידֵנִי לְשָׁלוֹם וְאַל יְבַהֲלוּנִי רַעְיוֹנַי וַחֲלוֹמוֹת רָעִים וְהִרְהוּרִים רָעִים וּתְהֵא מִטָּתִי שְׁלֵמָה לְפָנֶיךָ וְהָאֵר עֵינַי פֶּן אִישַׁן הַמָּוֶת כִּי אַתָּה הַמֵּאִיר לְאִישׁוֹן בַּת עָיִן. בָּרוּך אַתָּה יְיָ הַמֵּאִיר לָעוֹלָם כֻּלּוֹ בִּכְבוֹדוֹ.

Gezegend zijt Gij, Eeuwige, onze God, Koning van de wereld, die de banden van de slaap op mijn ogen werpt en sluimer op mijn oogleden; en moge het Uw wil zijn, Eeuwige, mijn God en God van mijn vaderen, dat Gij mij in vrede neerlegt en mij in vrede doet opstaan, en laat mijn gedachten, slechte dromen, of boze verbeeldingen mij niet verontrusten, en moge mijn bed volkomen zijn voor U, en verlicht mijn ogen, opdat ik niet de slaap van de dood slaap, want Gij zijt het die de pupil van het oog verlicht; Gezegend zijt Gij, Eeuwige, die de gehele wereld met Zijn glorie verlicht:

שְׁמַע יִשְׂרָאֵל יְהוָה אֱלֹהֵינוּ יְהוָה אֶחָד.

Hoor, Jisraeel, de Eeuwige is onze God, de Eeuwige is Eén:

בלחש: בָּרוּךְ שֵׁם כְּבוֹד מַלְכוּתוֹ לְעוֹלָם וָעֶד:

In een fluistering: Gezegend zij de naam van Zijn glorierijke koninkrijk voor eeuwig en altijd:

וְאָהַבְתָּ אֵת ה' אֱלהֶיךָ בְּכָל לְבָבְךָ וּבְכָל נַפְשְׁךָ וּבְכָל מְאדֶךָ: וְהָיוּ הַדְּבָרִים הָאֵלֶּה אֲשֶׁר אָנכִי מְצַוְּךָ הַיּום עַל לְבָבֶךָ: וְשִׁנַּנְתָּם לְבָנֶיךָ וְדִבַּרְתָּ בָּם בְּשִׁבְתְּךָ בְּבֵיתֶךָ וּבְלֶכְתְּךָ בַדֶּרֶךְ וּבְשָׁכְבְּךָ וּבְקוּמֶךָ: וּקְשַׁרְתָּם לְאות עַל יָדֶךָ וְהָיוּ לְטטָפת בֵּין עֵינֶיךָ: וּכְתַבְתָּם עַל מְזֻזות בֵּיתֶךָ וּבִשְׁעָרֶיךָ:

En gij zult de Eeuwige, uw God, liefhebben met heel uw hart, met heel uw ziel, en met heel uw kracht; en deze woorden die ik u heden gebied zullen op uw hart zijn; en gij zult ze uw kinderen ijverig inprenten en erover spreken wanneer gij in uw huis zit, wanneer gij onderweg gaat, wanneer gij neerligt, en wanneer gij opstaat; en gij zult ze als een teken op uw hand binden, en zij zullen als gedenktekenen tussen uw ogen zijn; en gij zult ze schrijven op de deurposten van uw huis en op uw poorten:

וְהָיָה אִם שָׁמעַ תִּשְׁמְעוּ אֶל מִצְותַי אֲשֶׁר אָנכִי מְצַוֶּה אֶתְכֶם הַיּום לְאַהֲבָה אֶת ה' אֱלהֵיכֶם וּלְעָבְדו בְּכָל לְבַבְכֶם וּבְכָל נַפְשְׁכֶם: וְנָתַתִּי מְטַר אַרְצְכֶם בְּעִתּו יורֶה וּמַלְקושׁ וְאָסַפְתָּ דְגָנֶךָ וְתִירשְׁךָ וְיִצְהָרֶךָ: וְנָתַתִּי עֵשב בְּשדְךָ לִבְהֶמְתֶּךָ וְאָכַלְתָּ וְשבָעְתָּ: הִשָּׁמְרוּ לָכֶם פֶּן יִפְתֶּה לְבַבְכֶם וְסַרְתֶּם וַעֲבַדְתֶּם אֱלהִים אֲחֵרִים וְהִשְׁתַּחֲוִיתֶם לָהֶם: וְחָרָה אַף ה' בָּכֶם וְעָצַר אֶת הַשָּׁמַיִם וְלא יִהְיֶה מָטָר וְהָאֲדָמָה לא תִתֵּן אֶת יְבוּלָהּ וַאֲבַדְתֶּם מְהֵרָה מֵעַל הָאָרֶץ הַטּבָה אֲשֶׁר ה' נתֵן לָכֶם: וְשמְתֶּם אֶת דְּבָרַי אֵלֶּה עַל לְבַבְכֶם וְעַל נַפְשְׁכֶם וּקְשַׁרְתֶּם אתָם לְאות עַל יֶדְכֶם וְהָיוּ לְטוטָפת בֵּין עֵינֵיכֶם: וְלִמַּדְתֶּם אתָם אֶת בְּנֵיכֶם לְדַבֵּר בָּם בְּשִׁבְתְּךָ בְּבֵיתֶךָ וּבְלֶכְתְּךָ בַדֶּרֶךְ וּבְשָׁכְבְּךָ וּבְקוּמֶךָ: וּכְתַבְתָּם עַל מְזוּזות בֵּיתֶךָ וּבִשְׁעָרֶיךָ: לְמַעַן יִרְבּוּ יְמֵיכֶם וִימֵי בְנֵיכֶם עַל הָאֲדָמָה אֲשֶׁר נִשְׁבַּע ה' לַאֲבתֵיכֶם לָתֵת לָהֶם כִּימֵי הַשָּׁמַיִם עַל הָאָרֶץ:

En het zal zijn, als gij ijverig naar Mijn geboden luistert die ik u heden gebied, om de Eeuwige, uw God, lief te hebben en Hem te dienen met heel uw hart en met heel uw ziel; dan zal Ik de regen van uw land op zijn tijd geven, de vroege regen en de late regen, en gij zult uw graan, uw wijn en uw olie inzamelen; en Ik zal gras geven op uw veld voor uw vee, en gij zult eten en verzadigd worden; wacht u ervoor dat uw hart misleid wordt, en gij afdwaalt en andere goden dient en u voor hen neerbuigt; dan zal de toorn van de Eeuwige tegen u ontbranden, en Hij zal de hemel afsluiten zodat er geen regen zal zijn, en het land zijn opbrengst niet zal geven, en gij snel zult vergaan uit het goede land dat de Eeuwige u geeft; daarom zult gij deze Mijn woorden op uw hart en op uw ziel leggen, en gij zult ze als een teken op uw hand binden, en zij zullen als gedenktekenen tussen uw ogen zijn; en gij zult ze uw kinderen leren, om erover te spreken wanneer gij in uw huis zit, wanneer gij onderweg gaat, wanneer gij neerligt, en wanneer gij opstaat; en gij zult ze schrijven op de deurposten van uw huis en op uw poorten; opdat uw dagen en de dagen van uw kinderen vermenigvuldigd mogen worden op het land dat de Eeuwige aan uw vaderen gezworen heeft hun te geven, als de dagen van de hemel boven de aarde:

וַיּאמֶר ה' אֶל משֶׁה לֵּאמר: דַּבֵּר אֶל בְּנֵי יִשרָאֵל וְאָמַרְתָּ אֲלֵהֶם וְעָשוּ לָהֶם צִיצִת עַל כַּנְפֵי בִגְדֵיהֶם לְדרתָם וְנָתְנוּ עַל צִיצִת הַכָּנָף פְּתִיל תְּכֵלֶת: וְהָיָה לָכֶם לְצִיצִת וּרְאִיתֶם אתו וּזְכַרְתֶּם אֶת כָּל מִצְות ה' וַעֲשיתֶם אתָם וְלא תָתוּרוּ אַחֲרֵי לְבַבְכֶם וְאַחֲרֵי עֵינֵיכֶם אֲשֶׁר אַתֶּם זנִים אַחֲרֵיהֶם: לְמַעַן תִּזְכְּרוּ וַעֲשיתֶם אֶת כָּל מִצְותָי וִהְיִיתֶם קְדשִׁים לֵאלהֵיכֶם: אֲנִי ה' אֱלהֵיכֶם אֲשֶׁר הוצֵאתִי אֶתְכֶם מֵאֶרֶץ מִצְרַיִם לִהְיות לָכֶם לֵאלהִים אֲנִי ה' אֱלהֵיכֶם. אֱמֶת:

En de Eeuwige sprak tot Mozes, zeggende: Spreek tot de kinderen van Jisraeel en zeg hun dat zij voor zich kwasten zullen maken aan de hoeken van hun kleding gedurende hun geslachten, en zij zullen aan de kwast van elke hoek een draad van blauw doen; en het zal voor u een kwast zijn, opdat gij erop ziet en alle geboden van de Eeuwige gedenkt en ze doet, en niet afdwaalt achter uw hart en achter uw ogen, waarachter gij afdwaalt; opdat gij gedenkt en al Mijn geboden doet en heilig zijt voor uw God; Ik ben de Eeuwige, uw God, die u uit het land Egypte geleid heeft om uw God te zijn; Ik ben de Eeuwige, uw God; Waarachtig:

וִיהִי נֹעַם אֲדֹנָי אֱלֹהֵינוּ עָלֵינוּ וּמַעֲשֵׂה יָדֵינוּ כּוֹנְנָה עָלֵינוּ וּמַעֲשֵׂה יָדֵינוּ כּוֹנְנֵהוּ. יֹשֵׁב בְּסֵתֶר עֶלְיוֹן בְּצֵל שַׁדַּי יִתְלוֹנָן. אֹמַר לַיהוָה מַחְסִי וּמְצוּדָתִי אֱלֹהַי אֶבְטַח בּוֹ. כִּי הוּא יַצִּילְךָ מִפַּח יָקוּשׁ מִדֶּבֶר הַוּוֹת. בְּאֶבְרָתוֹ יָסֶךְ לָךְ וְתַחַת כְּנָפָיו תֶּחְסֶה צִנָּה וְסֹחֵרָה אֲמִתּוֹ. לֹא תִירָא מִפַּחַד לָיְלָה מֵחֵץ יָעוּף יוֹמָם. מִדֶּבֶר בָּאֹפֶל יַהֲלֹךְ מִקֶּטֶב יָשׁוּד צָהֳרָיִם. יִפֹּל מִצִּדְּךָ אֶלֶף וּרְבָבָה מִימִינֶךָ אֵלֶיךָ לֹא יִגָּשׁ. רַק בְּעֵינֶיךָ תַבִּיט וְשִׁלֻּמַת רְשָׁעִים תִּרְאֶה. כִּי אַתָּה יְהוָה מַחְסִי עֶלְיוֹן שַׂמְתָּ מְעוֹנֶךָ. לֹא תְאֻנֶּה אֵלֶיךָ רָעָה וְנֶגַע לֹא יִקְרַב בְּאָהֳלֶךָ. כִּי מַלְאָכָיו יְצַוֶּה לָּךְ לִשְׁמָרְךָ בְּכָל דְּרָכֶיךָ. עַל כַּפַּיִם יִשָּׂאוּנְךָ פֶּן תִּגֹּף בָּאֶבֶן רַגְלֶךָ. עַל שַׁחַל וָפֶתֶן תִּדְרֹךְ תִּרְמֹס כְּפִיר וְתַנִּין. כִּי בִי חָשַׁק וַאֲפַלְּטֵהוּ אֲשַׂגְּבֵהוּ כִּי יָדַע שְׁמִי. יִקְרָאֵנִי וְאֶעֱנֵהוּ עִמּוֹ אָנֹכִי בְצָרָה אֲחַלְּצֵהוּ וַאֲכַבְּדֵהוּ. אֹרֶךְ יָמִים אַשְׂבִּיעֵהוּ וְאַרְאֵהוּ בִּישׁוּעָתִי. אֹרֶךְ יָמִים אַשְׂבִּיעֵהוּ וְאַרְאֵהוּ בִּישׁוּעָתִי.

Moge de lieflijkheid van de Eeuwige, onze God, over ons zijn, en moge Hij het werk van onze handen voor ons bevestigen, en het werk van onze handen, moge Hij het bevestigen; Hij die woont in de schuilplaats van de Allerhoogste zal verblijven onder de schaduw van de Almachtige; ik zal van de Eeuwige zeggen, Hij is mijn toevlucht en mijn vesting, mijn God op wie ik vertrouw; want Hij zal u redden van de strik van de vogelvanger en van de dodelijke pest; met Zijn veren zal Hij u bedekken, en onder Zijn vleugels zult gij toevlucht vinden; Zijn trouw is een schild en een beukelaar; gij zult niet vrezen voor de verschrikking van de nacht, noch voor de pijl die overdag vliegt; noch voor de pest die in duisternis sluipt, noch voor het verderf dat op de middag verwoest; duizend mogen aan uw zijde vallen, en tienduizend aan uw rechterhand, maar het zal u niet naderen; alleen met uw ogen zult gij toezien en de vergelding van de goddelozen zien; want Gij, Eeuwige, zijt mijn toevlucht; de Allerhoogste hebt gij tot uw woning gemaakt; geen kwaad zal u overkomen, noch zal enige plaag uw tent naderen; want Hij zal Zijn engelen aangaande u gebieden om u te bewaren op al uw wegen; op hun handen zullen zij u dragen, opdat gij uw voet niet aan een steen stoot; gij zult op de leeuw en de adder treden, de jonge leeuw en de slang zult gij vertrappen; omdat hij zijn liefde op Mij gezet heeft, daarom zal Ik hem redden; Ik zal hem op een hoogte plaatsen, omdat hij Mijn naam gekend heeft; hij zal Mij aanroepen, en Ik zal hem antwoorden; Ik zal met hem zijn in nood; Ik zal hem redden en eren; met lengte van dagen zal Ik hem verzadigen en hem Mijn heil tonen; met lengte van dagen zal Ik hem verzadigen en hem Mijn heil tonen:

יְהוָה מָה רַבּוּ צָרָי רַבִּים קָמִים עָלָי. ג רַבִּים אֹמְרִים לְנַפְשִׁי אֵין יְשׁוּעָתָה לּוֹ בֵאלֹהִים סֶלָה. ד וְאַתָּה יְהוָה מָגֵן בַּעֲדִי כְּבוֹדִי וּמֵרִים רֹאשִׁי. ה קוֹלִי אֶל יְהוָה אֶקְרָא וַיַּעֲנֵנִי מֵהַר קָדְשׁוֹ סֶלָה. ו אֲנִי שָׁכַבְתִּי וָאִישָׁנָה הֱקִיצוֹתִי כִּי יְהוָה יִסְמְכֵנִי. ז לֹא אִירָא מֵרִבְבוֹת עָם אֲשֶׁר סָבִיב שָׁתוּ עָלָי. ח קוּמָה יְהוָה הוֹשִׁיעֵנִי אֱלֹהַי כִּי הִכִּיתָ אֶת כָּל אֹיְבַי לֶחִי שִׁנֵּי רְשָׁעִים שִׁבַּרְתָּ. טלַיהוָה הַיְשׁוּעָה עַל עַמְּךָ בִרְכָתֶךָ סֶלָה.

Eeuwige, hoe talrijk zijn mijn tegenstanders, talrijk zijn zij die tegen mij opstaan; velen zeggen van mijn ziel, er is voor hem geen heil bij God, sela; maar Gij, Eeuwige, zijt een schild om mij heen, mijn eer, en Degene die mijn hoofd opheft; met mijn stem roep ik tot de Eeuwige, en Hij antwoordt mij vanaf Zijn heilige berg, sela; ik legde mij neer en sliep, ik ontwaakte, want de Eeuwige ondersteunt mij; ik zal niet vrezen voor de tienduizenden mensen die zich rondom tegen mij gesteld hebben; sta op, Eeuwige; red mij, mijn God, want Gij hebt al mijn vijanden op de kaak geslagen; Gij hebt de tanden van de goddelozen gebroken; het heil behoort de Eeuwige toe; Uw zegen zij over Uw volk, sela:

הַשְׁכִּיבֵנוּ יְיָ אֱלֹהֵינוּ לְשָׁלוֹם, וְהַעֲמִידֵנוּ מַלְכֵּנוּ לְחַיִּים .וּפְרוֹשׂ עָלֵינוּ סֻכַּת שְׁלוֹמֶךָ. וְתַקְּנֵנוּ בְּעֵצָה טוֹבָה מִלְּפָנֶיךָ. וְהוֹשִׁיעֵנוּ לְמַעַן שְׁמֶךָ. וְהָגֵן בַּעֲדֵנוּ: וְהָסֵר מֵעָלֵינוּ אוֹיֵב דֶּבֶר וְחֶרֶב וְרָעָב וְיָגוֹן. וְהָסֵר שָׂטָן מִלְּפָנֵינוּ וּמֵאַחֲרֵינוּ. וּבְצֵל כְּנָפֶיךָ תַּסְתִּירֵנוּ. כִּי אֵל שׁוֹמְרֵנוּ וּמַצִּילֵנוּ אָתָּה. כִּי אֵל מֶלֶךְ חַנּוּן וְרַחוּם אָתָּה: וּשְׁמוֹר צֵאתֵנוּ וּבוֹאֵנוּ לְחַיִּים וּלְשָׁלוֹם מֵעַתָּה וְעַד עוֹלָם:

Doe ons in vrede neerliggen, Eeuwige, onze God, en doe ons opstaan, onze Koning, ten leven; en spreid over ons de tent van Uw vrede uit; en leid ons met Uw goede raad van voor U; en red ons omwille van Uw naam; en bescherm ons; en verwijder van ons vijand, pest, zwaard, hongersnood en droefenis; en verwijder de tegenstander van voor ons en achter ons; en beschut ons in de schaduw van Uw vleugels; want Gij zijt een God die ons bewaart en ons redt; want Gij zijt een genadige en barmhartige Koning en God; en bewaar ons uitgaan en ons binnenkomen ten leven en ten vrede van nu af en voor altijd:

בָּרוּךְ יְיָ בַּיּוֹם בָּרוּךְ יְיָ בַּלָּיְלָה בָּרוּךְ יְיָ בְּשָׁכְבֵנוּ בָּרוּךְ יְיָ בְּקוּמֵנוּ. כִּי בְּיָדְךָ נַפְשׁוֹת הַחַיִּים וְהַמֵּתִים. אֲשֶׁר בְּיָדוֹ נֶפֶשׁ כָּל חָי וְרוּחַ כָּל בְּשַׂר אִישׁ. בְּיָדְךָ אַפְקִיד רוּחִי פָּדִיתָה אוֹתִי יְהוָה אֵל אֱמֶת. אֱלֹקֵינוּ שֶׁבַּשָּׁמַיִם יַחֵד שִׁמְךָ וְקַיֵּם מַלְכוּתְךָ תָמִיד וּמְלֹך עָלֵינוּ לְעוֹלָם וָעֶד.

Gezegend is de Eeuwige overdag, gezegend is de Eeuwige des nachts, gezegend is de Eeuwige wanneer wij neerliggen, gezegend is de Eeuwige wanneer wij opstaan; want in Uw hand zijn de zielen van de levenden en de doden; Hij in wiens hand de ziel van elk levend wezen is en de adem van alle menselijk vlees; in Uw hand vertrouw ik mijn geest toe, Gij hebt mij verlost, Eeuwige, God van waarheid; onze God in de hemel, verenig Uw naam en bevestig Uw koninkrijk voortdurend, en regeer over ons voor eeuwig en altijd:

יִרְאוּ עֵינֵינוּ וְיִשְׂמַח לִבֵּנוּ וְתָגֵל נַפְשֵׁנוּ בִּישׁוּעָתְךָ בֶּאֱמֶת בֶאֱמֹר לְצִיּוֹן מָלַך אֱלֹהָיִךְ. יְיָ מֶלֶךְ יְיָ מָלַךְ יְיָ יִמְלֹךְ לְעוֹלָם וָעֶד. כִּי הַמַּלְכוּת שֶׁלְּךָ הִיא וּלְעוֹלְמֵי עַד תִמְלֹךְ בְּכָבוֹד כֵּי אֵין לָנוּ מֶלֶךְ אֶלָּא אָתָּה.

Mogen onze ogen zien, ons hart zich verheugen, en onze ziel jubelen in Uw heil in waarheid, wanneer tot Sion gezegd wordt, uw God regeert; de Eeuwige regeert, de Eeuwige heeft geregeerd, de Eeuwige zal regeren voor eeuwig en altijd; want het koninkrijk is van U, en Gij zult in glorie regeren voor altijd, want wij hebben geen koning behalve U:

הַמַּלְאָךְ הַגֹּאֵל אֹתִי מִכָּל רָע יְבָרֵךְ אֶת הַנְּעָרִים וְיִקָּרֵא בָהֶם שְׁמִי וְשֵׁם אֲבֹתַי אַבְרָהָם וְיִצְחָק וְיִדְגּוּ לָרֹב בְּקֶרֶב הָאָרֶץ.

De engel die mij verlost van alle kwaad, moge hij de jongens zegenen, en moge mijn naam over hen genoemd worden, en de naam van mijn vaderen Abraham en Izaäk, en mogen zij zich zeer vermenigvuldigen midden op de aarde:

וַיֹּאמֶר אִם שָׁמוֹעַ תִּשְׁמַע לְקוֹל יְהוָה אֱלֹהֶיךָ וְהַיָּשָׁר בְּעֵינָיו תַּעֲשֶׂה וְהַאֲזַנְתָּ לְמִצְו‍ֹתָיו וְשָׁמַרְתָּ כָּל חֻקָּיו כָּל הַמַּחֲלָה אֲשֶׁר שַׂמְתִּי בְמִצְרַיִם לֹא אָשִׂים עָלֶיךָ כִּי אֲנִי יְהוָה רֹפְאֶךָ. וַיֹּאמֶר יְהוָה אֶל הַשָּׂטָן יִגְעַר יְהוָה בְּךָ הַשָּׂטָן וְיִגְעַר יְהוָה בְּךָ הַבֹּחֵר בִּירוּשָׁלָ‍ִם הֲלוֹא זֶה אוּד מֻצָּל מֵאֵשׁ. הִנֵּה מִטָּתוֹ שֶׁלִּשְׁלֹמֹה שִׁשִּׁים גִּבֹּרִים סָבִיב לָהּ מִגִּבֹּרֵי יִשְׂרָאֵל. כֻּלָּם אֲחֻזֵי חֶרֶב מְלֻמְּדֵי מִלְחָמָה אִישׁ חַרְבּוֹ עַל יְרֵכוֹ מִפַּחַד בַּלֵּילוֹת.

En Hij zei, als gij ijverig zult luisteren naar de stem van de Eeuwige, uw God, en doet wat recht is in Zijn ogen, en het oor leent aan Zijn geboden en al Zijn inzettingen houdt, dan zal Ik geen van alle kwalen die Ik op Egypte gelegd heb op u leggen, want Ik ben de Eeuwige, uw heelmeester; en de Eeuwige zei tot de tegenstander, de Eeuwige bestraffe u, tegenstander; de Eeuwige die Jeruzalem verkiest bestraffe u; is dit niet een brandhout uit het vuur gerukt; zie, het bed van Salomo, zestig sterke mannen zijn eromheen, van de sterke mannen van Jisraeel; allen hanteren zij zwaarden, geoefend in de strijd, ieder met zijn zwaard aan zijn heup, vanwege de verschrikking in de nacht:

ג' פעמים:

Driemaal:

יְבָרֶכְךָ יְהוָה וְיִשְׁמְרֶךָ.

Moge de Eeuwige u zegenen en u behoeden:

יָאֵר יְהוָה פָּנָיו אֵלֶיךָ וִיחֻנֶּךָּ.

Moge de Eeuwige Zijn aangezicht over u doen lichten en u genadig zijn:

יִשָּׂא יְהוָה פָּנָיו אֵלֶיךָ וְיָשֵׂם לְךָ שָׁלוֹם.

Moge de Eeuwige Zijn aangezicht naar u opheffen en u vrede geven:

ג' פעמים:

Driemaal:

הִנֵּה לֹא יָנוּם וְלֹא יִישָׁן שׁוֹמֵר יִשְׂרָאֵל.

Zie, Hij die Jisraeel bewaart sluimert noch slaapt:

ג' פעמים:

Driemaal:

לִישׁוּעָתְךָ קִוִּיתִי יי. קִוִּיתִי יי לִישׁוּעָתְךָ. יי לִישׁוּעָתְךָ קִוִּיתִי.

Op Uw heil hoop ik, Eeuwige; ik hoop, Eeuwige, op Uw heil; Eeuwige, op Uw heil hoop ik:

ג' פעמים:

Driemaal:

בְּשֵׁם יְיָ אֱלֹקֵי יִשְׂרָאֵל: מִימִינִי מִיכָאֵל וּמִשְּׂמֹאלִי גַבְרִיאֵל וּמִלְּפָנַי אוּרִיאֵל וּמֵאֲחוֹרַי רְפָאֵל וְעַל רֹאשִׁי שְׁכִינַת אֵל.

In de naam van de Eeuwige, God van Jisraeel: aan mijn rechterzijde Michaël, aan mijn linkerzijde Gabriël, voor mij Uriël, achter mij Rafaël, en boven mijn hoofd de Goddelijke Aanwezigheid van God:

שִׁיר הַמַּעֲלוֹת אַשְׁרֵי כָּל יְרֵא יְהוָה הַהֹלֵךְ בִּדְרָכָיו. יְגִיעַ כַּפֶּיךָ כִּי תֹאכֵל אַשְׁרֶיךָ וְטוֹב לָךְ. אֶשְׁתְּךָ כְּגֶפֶן פֹּרִיָּה בְּיַרְכְּתֵי בֵיתֶךָ בָּנֶיךָ כִּשְׁתִלֵי זֵיתִים סָבִיב לְשֻׁלְחָנֶךָ. הִנֵּה כִי כֵן יְבֹרַךְ גָּבֶר יְרֵא יְהוָה. יְבָרֶכְךָ יְהוָה מִצִּיּוֹן וּרְאֵה בְּטוּב יְרוּשָׁלָ‍ִם כֹּל יְמֵי חַיֶּיךָ. וּרְאֵה בָנִים לְבָנֶיךָ שָׁלוֹם עַל יִשְׂרָאֵל.

Een Bedevaartslied: Gelukkig is eenieder die de Eeuwige vreest, die in Zijn wegen wandelt; wanneer gij de arbeid van uw handen eet, zijt gij gelukkig, en het gaat u goed; uw vrouw zal zijn als een vruchtbare wijnstok binnen in uw huis; uw kinderen als olijfscheuten rondom uw tafel; zie, zo zal de man die de Eeuwige vreest gezegend worden; moge de Eeuwige u zegenen uit Sion, en moogt gij het goede van Jeruzalem zien alle dagen van uw leven; en moogt gij de kinderen van uw kinderen zien; vrede zij over Jisraeel:

ג' פעמים:

Driemaal:

רִגְזוּ וְאַל תֶּחֱטָאוּ אִמְרוּ בִלְבַבְכֶם עַל מִשְׁכַּבְכֶם וְדֹמּוּ סֶלָה.

Beef en zondig niet; spreek in uw hart op uw bed en wees stil, sela:

אֲדוֹן עוֹלָם אֲשֶׁר מָלַךְ, בְּטֶרֶם כָּל יְצִיר נִבְרָא. לְעֵת נַעֲשָׂה בְּחֶפְצוֹ כָּל, אֲזַי מֶלֶךְ שְׁמוֹ נִקְרָא. וְאַחֲרֵי כִּכְלּוֹת הַכֹּל, לְבַדּוֹ יִמְלֹךְ נוֹרָא. וְהוּא הָיָה וְהוּא הֹוֶה, וְהוּא יִהְיֶה בְּתִפְאֲרָה. וְהוּא אֶחָד וְאֵין שֵׁנִי, לְהַמְשִׁיל לוֹ לְהַחְבִּירָה. בְּלִי רֵאשִׁית בְּלִי תַּכְלִית, וְלוֹ הָעֹז וְהַמִּשְׂרָה. וְהוּא אֱלִי וְחַי גּוֹאֲלִי, וְצוּר חֶבְלִי בְּיוֹם צָרָה. וְהוּא נִסִּי וּמָנוֹס לִי, מְנַת כּוֹסִי בְּיּוֹם אֶקְרָא. בְּיָדוֹ אַפְקִיד רוּחִי, בְּעֵת אִישַׁן וְאָעִירָהּ. וְעִם רוּחִי גְּוִיָּתִי, יְיָ לִי וְלֹא אִירָא.

Meester van de wereld, die regeerde voordat enig schepsel geschapen was; toen alles door Zijn wil gemaakt werd, toen werd Zijn naam Koning genoemd; en nadat alles ophoudt te bestaan, zal Hij alleen, de Ontzagwekkende, regeren; en Hij was, en Hij is, en Hij zal zijn in glorie; en Hij is één, en er is geen tweede om Hem mee te vergelijken of met Hem te verbinden; zonder begin, zonder einde, en Hem behoren macht en heerschappij toe; en Hij is mijn God en mijn levende Verlosser, en de Rots van mijn lijden op de dag van nood; en Hij is mijn banier en mijn toevlucht, het deel van mijn beker op de dag dat ik roep; in Zijn hand vertrouw ik mijn geest toe wanneer ik slaap en wanneer ik ontwaak; en met mijn geest, ook mijn lichaam, de Eeuwige is met mij, en ik zal niet vrezen:

Wanneer zeg je Sjema voor het slapengaan?

De Sjema voor het slapengaan wordt vlak voor het slapen gaan gereciteerd, idealiter wanneer je al in bed ligt. Het moeten de laatste woorden zijn die voor het slapen worden gesproken.

Wat is Sjema voor het slapengaan?

Dit gebed vertrouwt onze ziel toe aan God tijdens de slaap en biedt geestelijke bescherming. Het omvat de Sjema, gebeden om vergeving en beschermingspsalmen.

Meer leren

Meer Dagelijkse gebeden

Ontdek andere categorieen