Ochtendzegeningen

Tefillin

הִנְנִי מְכַוֵּן בַּהֲנָחַת תְּפִלִּין לְקַיֵּם מִצְוַת בּורְאִי. שֶׁצִּוָּנוּ לְהָנִיחַ תְּפִלִּין. כַּכָּתוּב בְּתורָתו וּקְשַׁרְתָּם לְאות עַל יָדֶךָ. וְהָיוּ לְטטָפת בֵּין עֵינֶיךָ. וְהֵם אַרְבַּע פַּרְשִׁיּות אֵלּוּ. שְׁמַע. וְהָיָה אִם שָׁמעַ. קַדֶּשׁ. וְהָיָה כִּי יְבִיאֲךָ. שֶׁיֵּשׁ בָּהֶם יִחוּדו וְאַחְדוּתו יִתְבָּרַךְ שְׁמו בָּעולָם. וְשֶׁנִּזְכּר נִסִּים וְנִפְלָאות. שֶׁעָשה עִמָּנוּ בְּהוצִיאָנוּ מִמִּצְרָיִם. וַאֲשֶׁר לו הַכּחַ וְהַמֶּמְשָׁלָה בָּעֶלְיונִים וּבַתַּחְתּונִים לַעֲשות בָּהֶם כִּרְצונו:

Zie, ik wil met het aanleggen van de tefillien het gebod van mijn Schepper vervullen, die ons heeft geboden tefillien aan te leggen, zoals geschreven staat in Zijn Tora: En gij zult ze als een teken op uw hand binden, en zij zullen als een herinneringsteken tussen uw ogen zijn; en zij zijn deze vier gedeelten: Sjema, En het zal zijn als gij luistert, Heilig, En het zal zijn wanneer Hij u brengt, die Zijn eenheid en eenvoud bevatten, gezegend zij Zijn naam in de wereld, en opdat wij de wonderen en tekenen gedenken die Hij voor ons heeft verricht toen Hij ons uit Egypte voerde, en dat Hem de macht en heerschappij toebehoren in de hogere en lagere werelden om daarmee te doen naar Zijn wil:

וְצִוָּנוּ לְהָנִיחַ עַל הַיָּד לְזִכְרון זְרועַ הַנְּטוּיָה. וְשֶׁהִיא נֶגֶד הַלֵּב לְשַׁעְבֵּד בָּזֶה תַּאֲוַת וּמַחְשְׁבות לִבֵּנוּ לַעֲבודָתו יִתְבָּרַךְ שְׁמו. וְעַל הָראשׁ נֶגֶד הַמּחַ. שֶׁהַנְּשָׁמָה שֶׁבְּמחִי עִם שְׁאָר חוּשַׁי וְכחותַי כֻּלָּם יִהְיוּ מְשֻׁעְבָּדִים לַעֲבודָתו יִתְבָּרַךְ שְׁמו:

En Hij heeft ons geboden het op de hand te plaatsen ter herinnering aan de uitgestrekte arm, en dat het tegenover het hart is om daardoor de begeerten en gedachten van ons hart te onderwerpen aan Zijn dienst, gezegend zij Zijn naam; en op het hoofd tegenover de hersenen, opdat de ziel in mijn hersenen, samen met al mijn zintuigen en vermogens, alle onderworpen mogen worden aan Zijn dienst, gezegend zij Zijn naam:

וּמִשֶּׁפַע מִצְוַת תְּפִלִּין יִתְמַשֵּׁךְ עָלַי לִהְיות לִי חַיִּים אֲרֻכִים וְשֶׁפַע קדֶשׁ וּמַחֲשָׁבות קְדושׁות. בְּלִי הִרְהוּר חֵטְא וְעָון כְּלָל. וְשֶׁלּא יְפַתֵּנוּ וְלא יִתְגָּרֶה בָּנוּ יֵצֶר הָרָע. וְיַנִיחֵנוּ לַעֲבד אֶת ה' כַּאֲשֶׁר עִם לְבָבֵנוּ. וִיהִי רָצון מִלְּפָנֶיךָ. ה' אֱלהֵינוּ וֵאלהֵי אֲבותֵינוּ. שֶׁתְּהֵא חֲשׁוּבָה מִצְוַת הֲנָחַת תְּפִלִּין לִפְנֵי הַקָּדושׁ בָּרוּךְ הוּא. כְּאִלּוּ קִיַּמְתִּיהָ בְּכָל פְּרָטֶיהָ וְדִקְדּוּקֶיהָ וְכַוָּנותֶיהָ וְתַרְיַ"ג מִצְות הַתְּלוּיִם בָּהּ. אָמֵן סֶלָה:

En moge zich vanuit de overvloed van het gebod van de tefillien een lang leven over mij uitstrekken en een overvloed van heiligheid en heilige gedachten, zonder enige notie van zonde of ongerechtigheid; en moge de slechte neiging ons niet verleiden noch ons tergen, en moge zij ons toestaan de Eeuwige te dienen zoals ons hart verlangt; en moge het Uw wil zijn, Eeuwige, onze God en God van onze vaderen, dat het gebod van het aanleggen van de tefillien voor de Heilige, gezegend zij Hij, beschouwd wordt alsof ik het had vervuld met al zijn bijzonderheden, finesses, intenties, en de zeshonderddertien geboden die ervan afhangen; amen, sela:

קודם הקשירה יברך:

Voordat hij het vastbindt, zegt hij de zegen:

בָּרוּךְ אַתָּה ה'. אֱלהֵינוּ מֶלֶךְ הָעולָם. אֲשֶׁר קִדְּשָׁנוּ בְּמִצְותָיו. וְצִוָּנוּ לְהָנִיחַ תְּפִלִּין:

Gezegend zijt Gij, Eeuwige, onze God, Koning van de wereld, die ons met Zijn geboden heeft geheiligd en ons heeft geboden tefillien aan te leggen:

לפני שמהדק הרצועה על ראשו יאמר:

Voordat hij de riem op zijn hoofd vastmaakt, zegt hij:

בָּרוּךְ אַתָּה ה'. אֱלהֵינוּ מֶלֶךְ הָעולָם. אֲשֶׁר קִדְּשָׁנוּ בְּמִצְותָיו. וְצִוָּנוּ עַל מִצְוַת תְּפִלִּין:

Gezegend zijt Gij, Eeuwige, onze God, Koning van de wereld, die ons met Zijn geboden heeft geheiligd en ons heeft geboden aangaande het gebod van de tefillien:

ומהדקו בראשו ואומר:

En hij maakt het op zijn hoofd vast en zegt:

בָּרוּךְ שֵׁם כְּבוד מַלְכוּתו לְעולָם וָעֶד:

Gezegend zij de naam van Zijn glorierijke koninkrijk voor eeuwig en altijd:

וּמֵחָכְמָתְךָ אֵל עֶלְיון תַּאֲצִיל עָלַי. וּמִבִּינָתְךָ תְּבִינֵנִי. וּבְחַסְדְּךָ תַּגְדִּיל עָלַי. וּבִגְבוּרָתְךָ תַּצְמִית אויְבַי וְקָמַי. וְשֶׁמֶן הַטּוב תָּרִיק עַל שִׁבְעָה קְנֵי הַמְּנורָה. לְהַשְׁפִּיעַ טוּבְךָ לִבְרִיּותֶיךָ. פּותֵחַ אֶת יָדֶךָ וּמַשבִּיעַ לְכָל חַי רָצון:

En vanuit Uw wijsheid, allerhoogste God, moge Gij mij schenken; en met Uw inzicht, moge Gij mij begrip geven; en met Uw goedertierenheid, moge Gij die over mij vermeerderen; en met Uw macht, moge Gij mijn vijanden en tegenstanders onderwerpen; en moge Gij de goede olie uitgieten over de zeven armen van de menora, om Uw goedheid te doen uitstromen over Uw schepselen; Gij opent Uw hand en verzadigt het verlangen van al wat leeft:

אחר כך יכרוך שלש כריכות על האצבע האמצעי ויכרוך בתחלה כריכה אחת בפרק האמצעי ואח"כ אחת בראש פרק התחתון ואחת בסוף פרק התחתון ואומר:

Daarna wikkelt hij drie windingen rond de middelvinger, eerst één winding bij het middelste gewricht, dan één boven aan het onderste gewricht, en één aan het einde van het onderste gewricht, en zegt:

וְאֵרַשתִּיךְ לִי לְעולָם:

En Ik zal u Mij ondertrouwen voor eeuwig:

וְאֵרַשתִּיךְ לִי בְּצֶדֶק וּבְמִשְׁפָּט וּבְחֶסֶד וּבְרַחֲמִים:

En Ik zal u Mij ondertrouwen in gerechtigheid en recht, en in goedertierenheid en barmhartigheid:

וְאֵרַשתִּיךְ לִי בֶּאֱמוּנָה. וְיָדַעְתְּ אֶת ה':

En Ik zal u Mij ondertrouwen in trouw, en gij zult de Eeuwige kennen:

אחר הנחת תפלין יאמר זה:

Na het aanleggen van de tefillien zegt hij dit:

וַיְדַבֵּר ה' אֶל משֶׁה לֵּאמר:

En de Eeuwige sprak tot Mozes, zeggende:

קַדֶּשׁ לִי כָל בְּכור פֶּטֶר כָּל רֶחֶם בִּבְנֵי יִשרָאֵל בָּאָדָם וּבַבְּהֵמָה לִי הוּא:

Heilig Mij elke eerstgeborene, het eerste wat elke moederschoot opent onder de kinderen van Jisraeel, zowel van mens als van dier; het is Mijn:

וַיּאמֶר משֶׁה אֶל הָעָם זָכור אֶת הַיּום הַזֶּה אֲשֶׁר יְצָאתֶם מִמִּצְרַיִם מִבֵּית עֲבָדִים. כִּי בְּחזֶק יָד הוצִיא ה' אֶתְכֶם מִזֶּה. וְלא יֵאָכֵל חָמֵץ:

En Mozes zei tot het volk: Gedenk deze dag waarop gij uit Egypte zijt getrokken, uit het huis van slavernij, want met sterke hand heeft de Eeuwige u van deze plaats uitgevoerd; en geen gezuurd brood zal gegeten worden:

הַיּום אַתֶּם יצְאִים. בְּחדֶשׁ הָאָבִיב:

Heden trekt gij uit, in de maand Awiew:

וְהָיָה כִּי יְבִיאֲךָ ה' אֶל אֶרֶץ הַכְּנַעֲנִי וְהַחִתִּי וְהָאֱמרִי וְהַחִוִּי וְהַיְבוּסִי. אֲשֶׁר נִשְׁבַּע לַאֲבתֶיךָ לָתֶת לָךְ. אֶרֶץ זָבַת חָלָב וּדְבָשׁ. וְעָבַדְתָּ אֶת הָעֲבדָה הַזּאת בַּחדֶשׁ הַזֶּה:

En het zal zijn wanneer de Eeuwige u brengt in het land van de Kanaäniet, de Hethiet, de Amoriet, de Hewiet en de Jebusiet, dat Hij uw vaderen gezworen heeft u te geven, een land dat overvloeit van melk en honing, dat gij deze dienst in deze maand zult verrichten:

שִׁבְעַת יָמִים תּאכַל מַצּת. וּבַיּום הַשְּׁבִיעִי חַג לה':

Zeven dagen zult gij matze eten, en op de zevende dag zal er een feest voor de Eeuwige zijn:

מַצּות יֵאָכֵל אֵת שִׁבְעַת הַיָּמִים. וְלא יֵרָאֶה לְךָ חָמֵץ וְלא יֵרָאֶה לְךָ שאר בְּכָל גְּבֻלֶךָ:

Matze zal gedurende de zeven dagen gegeten worden, en geen gezuurd brood zal bij u gezien worden, noch zal er zuurdeeg bij u gezien worden binnen al uw grenzen:

וְהִגַּדְתָּ לְבִנְךָ בַּיּום הַהוּא לֵאמר. בַּעֲבוּר זֶה עָשה ה' לִי בְּצֵאתִי מִמִּצְרָיִם:

En gij zult uw zoon op die dag vertellen, zeggende: Het is vanwege wat de Eeuwige voor mij heeft gedaan toen ik uit Egypte trok:

וְהָיָה לְךָ לְאות עַל יָדְךָ וּלְזִכָּרון בֵּין עֵינֶיךָ. לְמַעַן תִּהְיֶה תּורַת ה' בְּפִיךָ. כִּי בְּיָד חֲזָקָה הוצִאֲךָ ה' מִמִּצְרָיִם:

En het zal voor u als een teken op uw hand zijn en als een herinnering tussen uw ogen, opdat de Tora van de Eeuwige in uw mond zij, want met sterke hand heeft de Eeuwige u uit Egypte gevoerd:

וְשָׁמַרְתָּ אֶת הַחֻקָּה הַזּאת לְמועֲדָהּ. מִיָּמִים יָמִימָה:

En gij zult deze inzetting onderhouden op haar vastgestelde tijd, van jaar tot jaar:

וְהָיָה כִּי יְבִאֲךָ ה' אֶל אֶרֶץ הַכְּנַעֲנִי כַּאֲשֶׁר נִשְׁבַּע לְךָ וְלַאֲבתֶיךָ. וּנְתָנָהּ לָךְ:

En het zal zijn wanneer de Eeuwige u brengt in het land van de Kanaäniet, zoals Hij u en uw vaderen gezworen heeft, en het u geeft:

וְהַעֲבַרְתָּ כָּל פֶּטֶר רֶחֶם לה'. וְכָל פֶּטֶר שֶׁגֶר בְּהֵמָה אֲשֶׁר יִהְיֶה לְךָ הַזְּכָרִים לה':

Dat gij voor de Eeuwige zult afzonderen al wat het eerst de moederschoot opent, en elk eerste worp van een dier dat gij hebt; de mannelijke behoren de Eeuwige toe:

וְכָל פֶּטֶר חֲמר תִּפְדֶּה בְשה. וְאִם לא תִפְדֶּה וַעֲרַפְתּו. וְכל בְּכור אָדָם בְּבָנֶיךָ תִּפְדֶּה:

En elke eersteling van een ezel zult gij met een lam loskopen; en indien gij het niet loskoopt, dan zult gij het de nek breken; en elke eerstgeborene van de mens onder uw zonen zult gij loskopen:

וְהָיָה כִּי יִשְׁאָלְךָ בִנְךָ מָחָר לֵאמר מַה-זּאת. וְאָמַרְתָּ אֵלָיו. בְּחזֶק יָד הוצִיאָנוּ ה' מִמִּצְרַיִם מִבֵּית עֲבָדִים:

En het zal zijn wanneer uw zoon u morgen vraagt, zeggende: Wat is dit? dat gij tot hem zult zeggen: Met sterke hand heeft de Eeuwige ons uit Egypte gevoerd, uit het huis van slavernij:

וַיְהִי כִּי הִקְשָׁה פַרְעה לְשַׁלְּחֵנוּ. וַיַּהֲרג ה' כָּל בְּכור בְּאֶרֶץ מִצְרַיִם. מִבְּכר אָדָם וְעַד בְּכור בְּהֵמָה. עַל כֵּן אֲנִי זבֵחַ לה' כָּל פֶּטֶר רֶחֶם הַזְּכָרִים וְכָל בְּכור בָּנַי אֶפְדֶּה:

En het geschiedde toen Farao halsstarrig weigerde ons te laten gaan, dat de Eeuwige elke eerstgeborene in het land Egypte doodde, van de eerstgeborene van de mens tot de eerstgeborene van het dier; daarom offer ik aan de Eeuwige elk mannelijk wezen dat het eerst de moederschoot opent, en elke eerstgeborene van mijn zonen koop ik los:

וְהָיָה לְאות עַל יָדְכָה וּלְטוטָפת בֵּין עֵינֶיךָ. כִּי בְּחזֶק יָד הוצִיאָנוּ ה' מִמִּצְרָיִם:

En het zal als een teken op uw hand zijn en als een herinneringsteken tussen uw ogen, want met sterke hand heeft de Eeuwige ons uit Egypte gevoerd.