וַיְדַבֵּר ה' אֶל משֶׁה לֵּאמר:
En de Eeuwige sprak tot Mozes, zeggende:
וְעָשיתָ כִּיּור נְחשֶׁת וְכַנּו נְחשֶׁת לְרָחְצָה. וְנָתַתָּ אתו בֵּין אהֶל מועֵד וּבֵין הַמִּזְבֵּחַ. וְנָתַתָּ שָׁמָּה מָיִם: וְרָחֲצוּ אַהֲרן וּבָנָיו מִמֶּנּוּ אֶת יְדֵיהֶם וְאֶת רַגְלֵיהֶם: בְּבאָם אֶל אהֶל מועֵד יִרְחֲצוּ מַיִם וְלא יָמֻתוּ. או בְגִשְׁתָּם אֶל הַמִּזְבֵּחַ לְשָׁרֵת. לְהַקְטִיר אִשֶּׁה לה': וְרָחֲצוּ יְדֵיהֶם וְרַגְלֵיהֶם וְלא יָמֻתוּ. וְהָיְתָה לָהֶם חָק עולָם. לו וּלְזַרְעו לְדרתָם:
En gij zult een wasvat van koper maken, met zijn voetstuk eveneens van koper, om te wassen; en gij zult het plaatsen tussen de tent der samenkomst en het altaar; en gij zult er water in doen; en Aäron en zijn zonen zullen daaruit hun handen en hun voeten wassen; wanneer zij de tent der samenkomst binnengaan, zullen zij zich met water wassen opdat zij niet sterven; of wanneer zij tot het altaar naderen om te dienen, om een vuuroffer voor de Eeuwige te ontsteken; zij zullen hun handen en hun voeten wassen opdat zij niet sterven; en het zal voor hen een eeuwige inzetting zijn, voor hem en zijn nageslacht door hun geslachten heen:
וַיְדַבֵּר ה' אֶל משֶׁה לֵּאמר: צַו אֶת אַהֲרן וְאֶת בָּנָיו לֵאמר זאת תּורַת הָעלָה הִיא הָעלָה עַל מוקְדָה עַל הַמִּזְבֵּחַ כָּל הַלַּיְלָה עַד הַבּקֶר וְאֵשׁ הַמִּזְבֵּחַ תּוּקַד בּו: וְלָבַשׁ הַכּהֵן מִדּו בַד וּמִכְנְסֵי בַד יִלְבַּשׁ עַל בְּשרו וְהֵרִים אֶת הַדֶּשֶׁן אֲשֶׁר תּאכַל הָאֵשׁ אֶת הָעלָה עַל הַמִּזְבֵּחַ וְשמו אֵצֶל הַמִּזְבֵּחַ: וּפָשַׁט אֶת בְּגָדָיו וְלָבַשׁ בְּגָדִים אֲחֵרִים וְהוצִיא אֶת הַדֶּשֶׁן אֶל מִחוּץ לַמַּחֲנֶה אֶל מָקום טָהור: וְהָאֵשׁ עַל הַמִּזְבֵּחַ תּוּקַד בּו לא תִכְבֶּה וּבִעֵר עָלֶיהָ הַכּהֵן עֵצִים בַּבּקֶר בַּבּקֶר וְעָרַךְ עָלֶיהָ הָעלָה וְהִקְטִיר עָלֶיהָ חֶלְבֵי הַשְּׁלָמִים: אֵשׁ תָּמִיד תּוּקַד עַל הַמִּזְבֵּחַ לא תִכְבֶּה:
En de Eeuwige sprak tot Mozes, zeggende: Gebied Aäron en zijn zonen, zeggende, Dit is de wet van het brandoffer; het is het brandoffer dat op de vuurhaard op het altaar blijft, heel de nacht tot de morgen, en het vuur van het altaar zal daarop brandend gehouden worden; en de priester zal zijn linnen gewaad aandoen, en zijn linnen onderkleed zal hij over zijn vlees dragen; en hij zal de as opnemen waartoe het vuur het brandoffer op het altaar verteerd heeft, en die naast het altaar leggen; en hij zal zijn gewaden uittrekken en andere gewaden aandoen, en de as buiten de legerplaats naar een reine plaats dragen; en het vuur op het altaar zal daarop brandend gehouden worden; het zal niet uitgaan; en de priester zal er elke morgen hout op verbranden, en hij zal het brandoffer daarop schikken en daarop het vet van de vredeoffers verbranden; een voortdurend vuur zal op het altaar brandend gehouden worden; het zal niet uitgaan:
יְהִי רָצון מִלְּפָנֶיךָ ה' אֱלהֵינוּ וֵאלהֵי אֲבותֵינוּ שֶׁתְּרַחֵם עָלֵינוּ וְתִמְחָל לָנוּ עַל כָּל חַטּאתֵינוּ וּתְכַפֶּר לָנוּ עַל כָּל עֲונותֵינוּ וְתִסְלַח לָנוּ עַל כָּל פְּשָׁעֵינוּ וְתִבְנֶה בֵּית הַמִּקְדָּשׁ בִּמְהֵרָה בְיָמֵינוּ וְנַקְרִיב לְפָנֶיךָ קָרְבַּן הַתָּמִיד שֶׁיְּכַפֵּר בַּעֲדֵנוּ כְּמו שֶׁכָּתַבְתָּ עָלֵינוּ בְּתורָתֶךָ עַל יְדֵי משֶׁה עַבְדֶּךָ מִפִּי כְבודֶךָ כָּאָמוּר:
Moge het Uw wil zijn, Eeuwige onze God en God van onze vaderen, dat U Zich over ons ontfermt en ons al onze zonden vergeeft, al onze ongerechtigheden verzoent, al onze overtredingen kwijtscheldt, en de Heilige Tempel spoedig in onze dagen herbouwt, opdat wij voor U het voortdurende offer mogen brengen om ons te verzoenen, zoals U voor ons in Uw Tora hebt geschreven door Mozes Uw dienaar, uit de mond van Uw glorie, zoals gezegd is:
וַיְדַבֵּר ה' אֶל משֶׁה לֵּאמר: צַו אֶת בְּנֵי יִשרָאֵל וְאָמַרְתָּ אֲלֵהֶם. אֶת קָרְבָּנִי לַחְמִי לְאִשַּׁי רֵיחַ נִיחחִי. תִּשְׁמְרוּ לְהַקְרִיב לִי בְּמועֲדו: וְאָמַרְתָּ לָהֶם. זֶה הָאִשֶּׁה אֲשֶׁר תַּקְרִיבוּ לה'. כְּבָשים בְּנֵי שָׁנָה תְמִימִים. שְׁנַיִם לַיּום עלָה תָמִיד: אֶת הַכֶּבֶש אֶחָד תַּעֲשה בַבּקֶר. וְאֵת הַכֶּבֶש הַשֵּׁנִי תַּעֲשה בֵּין הָעַרְבָּיִם: וַעֲשירִית הָאֵיפָה סלֶת לְמִנְחָה. בְּלוּלָה בְּשֶׁמֶן כָּתִית רְבִיעִת הַהִין: עלַת תָּמִיד הָעֲשיָה בְּהַר סִינַי. לְרֵיחַ נִיחחַ אִשֶּׁה לה': וְנִסְכּו רְבִיעִת הַהִין לַכֶּבֶש הָאֶחָד. בַּקּדֶשׁ הַסֵּךְ נֶסֶךְ שֵׁכָר לה': וְאֵת הַכֶּבֶש הַשֵּׁנִי תַּעֲשה בֵּין הָעַרְבָּיִם. כְּמִנְחַת הַבּקֶר וּכְנִסְכּו תַּעֲשה. אִשֵּׁה רֵיחַ נִיחחַ לה': וְשָׁחַט אתו עַל יֶרֶךְ הַמִּזְבֵּחַ צָפנָה לִפְנֵי ה'. וְזָרְקוּ בְּנֵי אַהֲרן הַכּהֲנִים אֶת דָּמו עַל הַמִּזְבֵּחַ סָבִיב:
En de Eeuwige sprak tot Mozes, zeggende: Gebied de kinderen van Israël en zeg tot hen, Mijn offer, Mijn spijs voor Mijn vuuroffers, een welgevallige geur voor Mij, zult gij zorgvuldig op zijn vastgestelde tijd voor Mij offeren; en gij zult tot hen zeggen, Dit is het vuuroffer dat gij aan de Eeuwige zult offeren: twee gave eenjarige lammeren, dagelijks, als een voortdurend brandoffer; het ene lam zult gij in de morgen offeren, en het andere lam zult gij in de avondschemering offeren; en een tiende van een efa fijn meel als spijsoffer, gemengd met een vierde van een hin geslagen olie; het is het voortdurende brandoffer, ingesteld bij de berg Sinaï, tot een welgevallige geur, een vuuroffer voor de Eeuwige; en zijn plengoffer zal een vierde van een hin zijn voor één lam; in de heilige plaats zult gij een plengoffer van sterke drank voor de Eeuwige uitgieten; en het andere lam zult gij in de avondschemering offeren; gelijk het spijsoffer van de morgen en zijn plengoffer zult gij het offeren, een vuuroffer, een welgevallige geur voor de Eeuwige; en hij zal het slachten aan de noordzijde van het altaar voor het aangezicht van de Eeuwige; en de zonen van Aäron, de priesters, zullen het bloed daarvan rondom op het altaar sprenkelen:
יְהִי רָצון מִלְּפָנֶיךָ, ה' אֱלהֵינוּ וֵאלהֵי אֲבותֵינוּ, שֶׁתְּהֵא אֲמִירָה זוּ חֲשׁוּבָה וּמְקֻבֶּלֶת וּמְרֻצָּה לְפָנֶיךָ כְּאִלּוּ הִקְרַבְנוּ קָרְבַּן הַתָּמִיד בְּמועֲדו וּבִמְקומו וּכְהִלְכָתו:
Moge het Uw wil zijn, Eeuwige onze God en God van onze vaderen, dat deze voordracht beschouwd, aanvaard en welgevallig voor U zij alsof wij het voortdurende offer op zijn vastgestelde tijd en plaats en volgens zijn wet hadden gebracht:
אַתָּה הוּא ה' אֱלהֵינוּ שֶׁהִקְטִירוּ אֲבותֵינוּ לְפָנֶיךָ אֶת קְטרֶת הַסַּמִּים בִּזְמַן שֶׁבֵּית הַמִּקְדָּשׁ הָיָה קַיָּם. כַּאֲשֶׁר צִוִּיתָ אותָם עַל יַד משֶׁה נְבִיאֶךָ כַּכָּתוּב בְּתורָתֶךָ: וַיּאמֶר ה' אֶל משֶׁה קַח לְךָ סַמִּים נָטָף וּשְׁחֵלֶת וְחֶלְבְּנָה סַמִּים וּלְבנָה זַכָּה בַּד בְּבַד יִהְיֶה: וְעָשיתָ אתָהּ קְטרֶת רקַח מַעֲשה רוקֵחַ מְמֻלָּח טָהור קדֶשׁ: וְשָׁחַקְתָּ מִמֶּנָּה הָדֵק וְנָתַתָּה מִמֶּנָּה לִפְנֵי הָעֵדֻת בְּאהֶל מועֵד אֲשֶׁר אִוָּעֵד לְךָ שָׁמָּה קדֶשׁ קָדָשִׁים תִּהְיֶה לָכֶם: וְנֶאֱמַר וְהִקְטִיר עָלָיו אַהֲרן קְטרֶת סַמִּים בַּבּקֶר בַּבּקֶר בְּהֵיטִיבו אֶת הַנֵּרות יַקְטִירֶנָּה: וּבְהַעֲלת אַהֲרן אֶת הַנֵּרות בֵּין הָעַרְבַּיִם יַקְטִירֶנָּה קְטרֶת תָּמִיד לִפְנֵי ה' לְדרתֵיכֶם:
U zijt de Eeuwige onze God, voor wie onze vaderen het reukwerk van specerijen verbrandden toen de Heilige Tempel bestond, zoals U hun gebood door Mozes Uw profeet, zoals geschreven staat in Uw Tora: En de Eeuwige zei tot Mozes, Neem voor uzelf specerijen, druipende hars, onycha en galban, specerijen met zuivere wierook; elk zal van gelijk gewicht zijn; en gij zult er reukwerk van maken, een mengsel, het werk van een zalfbereider, gezouten, zuiver en heilig; en gij zult er een deel van zeer fijn vermalen en het neerleggen voor de Getuigenis in de tent der samenkomst, waar Ik u zal ontmoeten; het zal voor u allerheiligst zijn; en er is gezegd: En Aäron zal daarop welriekend reukwerk verbranden, elke morgen; wanneer hij de lampen verzorgt, zal hij het verbranden; en wanneer Aäron de lampen in de avondschemering aansteekt, zal hij het verbranden, een voortdurend reukwerk voor de Eeuwige door uw geslachten heen:
תָּנוּ רַבָּנָן פִּטּוּם הַקְּטרֶת כֵּיצַד שְׁלשׁ מֵאות וְשִׁשִּׁים וּשְׁמונָה מָנִים הָיוּ בָהּ. שְׁלשׁ מֵאות וְשִׁשִּׁים וַחֲמִשָּׁה כְּמִנְיַן יְמות הַחַמָּה. מָנֶה לְכָל יום. פְּרַס בְּשַׁחֲרִית וּפְרַס בֵּין הָעַרְבָּיִם. וּשְׁלשָׁה מָנִים יְתֵרִים שֶׁמֵּהֶם מַכְנִיס כּהֵן גָּדול מְלא חָפְנָיו בְּיום הַכִּפּוּרִים. וּמַחֲזִירָן לְמַכְתֶּשֶׁת בְּעֶרֶב יום הַכִּפּוּרִים. וְשׁוחֲקָן יָפֶה יָפֶה כְּדֵי שֶׁתְּהֵא דַקָּה מִן הַדַּקָּה: וְאַחַד עָשר סַמָּנִים הָיוּ בָהּ. וְאֵלּוּ הֵן: א הַצֳּרִי ב וְהַצִּפּרֶן ג הַחֶלְבְּנָה ד וְהַלְּבונָה מִשְׁקַל שִׁבְעִים שִׁבְעִים מָנֶה. ה מר ו וּקְצִיעָה ז שִׁבּלֶת נֵרְדְּ ח וְכַרְכּם מִשְׁקַל שִׁשָּׁה עָשר שִׁשָּׁה עָשר מָנֶה. ט הַקּשְׁטְ שְׁנֵים עָשר. י קִלּוּפָה שְׁלשָׁה. יא קִנָּמון תִּשְׁעָה.
De rabbijnen leerden: Hoe werd de bereiding van het reukwerk gedaan? Driehonderdachtenzestig maneh waren erin; driehonderdvijfenzestig overeenkomstig de dagen van het zonnejaar, een maneh voor elke dag, de helft in de morgen en de helft in de avondschemering; en drie aanvullende maneh waaruit de Hogepriester op de Verzoendag handenvol naar binnen bracht; en zij brachten ze op de vooravond van de Verzoendag terug in de vijzel en vermaalden ze zeer fijn opdat het fijner dan fijn zou zijn; en elf specerijen waren erin, en deze zijn het: 1) druipende hars, 2) onycha, 3) galban, 4) wierook, ieder zeventig maneh; 5) mirre, 6) kassie, 7) nardus, 8) saffraan, ieder zestien maneh; 9) kostwortel, twaalf maneh; 10) welriekende schors, drie maneh; 11) kaneel, negen maneh:
בּרִית כַּרְשִׁינָה תִּשְׁעָה קַבִּין. יֵין קַפְרִיסִין סְאִין תְּלָתָא וְקַבִּין תְּלָתָא. וְאִם לא מָצָא יֵין קַפְרִיסִין מֵבִיא חֲמַר חִוַּרְיָן עַתִּיק. מֶלַח סְדומִית רבַע מַעֲלֶה עָשָׁן כָּל שֶׁהוּא.
Zout van Sodom, een kwart; Cyprische wijn, drie sea en drie kav; en als hij geen Cyprische wijn kon vinden, bracht hij oude witte wijn; Sodomitisch zout, een kwart; een kruid dat de rook doet opstijgen, in elke hoeveelheid:
רַבִּי נָתָן הַבַּבְלִי אומֵר אַף כִּפַּת הַיַּרְדֵּן כָּל שֶׁהוּא וְאִם נָתַן בָּהּ דְּבַשׁ פְּסָלָהּ. וְאִם חִסַּר אַחַת מִכָּל סַמָּנֶיהָ חַיָּב מִיתָה:
Rabbi Natan de Babyloniër zegt: ook een geringe hoeveelheid Jordaanhars; en als men er honing aan toevoegde, maakte men het ongeschikt; en als men ook maar één van de specerijen wegliet, was men de dood schuldig:
רַבָּן שִׁמְעון בֶּן גַּמְלִיאֵל אומֵר הַצֳּרִי אֵינו אֶלָּא שרָף הַנּוטֵף מֵעֲצֵי הַקְּטָף. בּרִית כַּרְשִׁינָה שֶׁשָׁפִין בָּה אֶת הַצִּפּרֶן כְּדֵי שֶׁתְּהֵא נָאָה. יֵין קַפְרִיסִין שֶׁשׁורִין בּו אֶת הַצִּפּרֶן כְּדֵי שֶׁתְּהֵא עַזָּה. וַהֲלא מֵי רַגְלַיִם יָפִין לָהּ אֶלָּא שֶׁאֵין מַכְנִיסִין מֵי רַגְלַיִם בַּמִּקְדָּשׁ מִפְּנֵי הַכָּבוד:
Rabban Sjimon ben Gamliël zegt: De druipende hars is niets anders dan het sap dat van de balsembomen druipt; zout van Sodom werd gebruikt om de onycha in te wrijven om haar mooi te maken; Cyprische wijn werd gebruikt om de onycha te weken om haar scherp te maken; en zou urine haar niet goed kunnen dienen? Maar urine wordt omwille van de waardigheid niet in de Tempel gebracht:
תַּנְיָא רַבִּי נָתָן אומֵר כְּשֶׁהוּא שׁוחֵק אומֵר. הָדֵק הֵיטֵב הֵיטֵב הָדֵק. מִפְּנֵי שֶׁהַקּול יָפֶה לַבְּשמִים. פִּטְּמָהּ לַחֲצָאִין כְּשֵׁרָה. לִשְׁלִישׁ וְלִרְבִיעַ לא שָׁמַעְנוּ:
Er werd geleerd: Rabbi Natan zegt: Terwijl men het vermaalt, zegt men, Maal goed, goed maal, omdat het geluid goed is voor de specerijen; als men het in helften bereidde, was het geldig; in derden of vierden, hebben wij niet vernomen:
אָמַר רַבִּי יְהוּדָה זֶה הַכְּלָל. אִם כְּמִדָּתָהּ כְּשֵׁרָה לַחֲצָאִין. וְאִם חִסַּר אַחַת מִכָּל סַמָּנֶיהָ חַיָּב מִיתָה:
Rabbi Jehoeda zei: Dit is de algemene regel: Als het in zijn juiste maat is, is het geldig in helften; en als men ook maar één van de specerijen wegliet, was men de dood schuldig:
תַּנְיָא בַּר קַפָּרָא אומֵר. אַחַת לְשִׁשִּׁים או לְשִׁבְעִים שָׁנָה הָיְתָה בָאָה שֶׁל שִׁירַיִם לַחֲצָאִין:
Er werd geleerd: Bar Kappara zegt: Eens in de zestig of zeventig jaar kwam het overschot tot helften:
וְעוד תָּנֵי בַּר קַפָּרָא אִלּוּ הָיָה נותֵן בָּהּ קורְטוב שֶׁל דְּבַשׁ אֵין אָדָם יָכול לַעֲמד מִפְּנֵי רֵיחָהּ. וְלָמָה אֵין מְעָרְבִין בָּהּ דְּבַשׁ. מִפְּנֵי שֶׁהַתּורָה אָמְרָה כִּי כָל שאר וְכָל דְּבַשׁ לא תַקְטִירוּ מִמֶּנּוּ אִשֶּׁה לה':
En Bar Kappara leerde verder: Als men er een geringe hoeveelheid honing aan toevoegde, kon geen mens de geur ervan verdragen; en waarom mengt men er geen honing bij? Omdat de Tora zegt: Want geen zuurdeeg en geen honing zult gij als vuuroffer voor de Eeuwige verbranden:
ג”פ ה' צְבָאות עִמָּנוּ מִשגָּב לָנוּ אֱלהֵי יַעֲקב סֶלָה: ג”פ ה' צְבָאות אַשְׁרֵי אָדָם בּוטֵחַ בָּךְ: ג”פ ה' הושִׁיעָה הַמֶּלֶךְ יַעֲנֵנוּ בְיום קָרְאֵנוּ: אַתָּה סֵתֶר לִי מִצַּר תִּצְּרֵנִי רָנֵּי פַלֵּט תְּסובְבֵנִי סֶלָה: וְעָרְבָה לה' מִנְחַת יְהוּדָה וִירוּשָׁלָיִם כִּימֵי עולָם וּכְשָׁנִים קַדְמונִיּות:
Driemaal: De Eeuwige der heerscharen is met ons; de God van Jakob is onze burcht, sela; driemaal: De Eeuwige der heerscharen, gelukkig de mens die op U vertrouwt; driemaal: Eeuwige, red ons; moge de Koning ons antwoorden op de dag dat wij roepen; U zijt mijn schuilplaats; U bewaart mij voor benauwdheid; U omringt mij met gejubel van verlossing, sela; en moge het offer van Juda en Jeruzalem welgevallig zijn voor de Eeuwige, als in de dagen van weleer en als in vroegere jaren:
אַבַּיֵּי הֲוָה מְסַדֵּר סֵדֶר הַמַּעֲרָכָה מִשְּׁמָא דִּגְמָרָא וְאַלִּבָּא דְאַבָּא שָׁאוּל. מַעֲרָכָה גְדולָה קודֶמֶת לְמַעֲרָכָה שְׁנִיָּה שֶׁל קְטרֶת. וּמַעֲרָכָה שְׁנִיָּה שֶׁל קְטרֶת קודֶמֶת לְסִדּוּר שְׁנֵי גִזְרֵי עֵצִים. וְסִדּוּר שְׁנֵי גִזְרֵי עֵצִים קודֵם לְדִשּׁוּן מִזְבֵּחַ הַפְּנִימִי. וְדִשּׁוּן מִזְבֵּחַ הַפְּנִימִי קודֵם לַהֲטָבַת חָמֵשׁ נֵרות. וַהֲטָבַת חָמֵשׁ נֵרות קודֶמֶת לְדַם הַתָּמִיד. וְדַם הַתָּמִיד קודֵם לַהֲטָבַת שְׁתֵּי נֵרות. וַהֲטָבַת שְׁתֵּי נֵרות קודֶמֶת לִקְטרֶת. וּקְטרֶת קודֶמֶת לְאֵבָרִים. וְאֵבָרִים לְמִנְחָה. וּמִנְחָה לַחֲבִתִּין. וַחֲבִתִּין לִנְסָכִין. וּנְסָכִין לְמוּסָפִין. וּמוּסָפִין לְבָזִיכִין. וּבָזִיכִין קודְמִין לְתָמִיד שֶׁל בֵּין הָעַרְבָּיִם. שֶׁנֶּאֱמַר. וְעָרַךְ עָלֶיהָ הָעלָה וְהִקְטִיר עָלֶיהָ חֶלְבֵי הַשְּׁלָמִים. עָלֶיהָ הַשְׁלֵם כָּל הַקָּרְבָּנות כֻּלָּם:
Abaje rangschikte de orde van de dienst volgens de overlevering en volgens Abba Sjaoel: De grote houtstapel gaat vooraf aan de tweede stapel voor het reukwerk; en de tweede stapel voor het reukwerk gaat vooraf aan het schikken van de twee blokken hout; en het schikken van de twee blokken hout gaat vooraf aan het verwijderen van de as van het binnenste altaar; en het verwijderen van de as van het binnenste altaar gaat vooraf aan het verzorgen van de vijf lampen; en het verzorgen van de vijf lampen gaat vooraf aan het bloed van het voortdurende offer; en het bloed van het voortdurende offer gaat vooraf aan het verzorgen van de twee lampen; en het verzorgen van de twee lampen gaat vooraf aan het reukwerk; en het reukwerk gaat vooraf aan de ledematen; en de ledematen gaan vooraf aan het spijsoffer; en het spijsoffer gaat vooraf aan de bakplaatkoeken; en de bakplaatkoeken gaan vooraf aan de plengoffers; en de plengoffers gaan vooraf aan de toevoegende offers; en de toevoegende offers gaan vooraf aan de schalen; en de schalen gaan vooraf aan het voortdurende offer van de avondschemering; zoals gezegd is: En hij zal het brandoffer daarop schikken en daarop het vet van de vredeoffers verbranden; daarop, voltooi alle offers geheel:
אָנָּא בְּכחַ גְּדֻלַּת יְמִינְךָ תַּתִּיר צְרוּרָה: קַבֵּל רִנַּת עַמְּךָ שגְּבֵנוּ טַהֲרֵנוּ נורָא: נָא גִבּור דּורְשֵׁי יִחוּדְךָ כְּבָבַת שָׁמְרֵם: בָּרְכֵם, טַהֲרֵם, רַחֲמֵם, צִדְקָתְךָ תָּמִיד גָּמְלֵם: חֲסִין קָדושׁ בְּרוב טוּבְךָ נַהֵל עֲדָתֶךָ: יָחִיד גֵּאֶה לְעַמְּךָ פְּנֵה זוכְרֵי קְדֻשָּׁתֶךָ: שַׁוְעָתֵנוּ קַבֵּל וּשְׁמַע צַעֲקָתֵנוּ יודֵעַ תַּעֲלוּמות: בָּרוּךְ שֵׁם כְּבוד מַלְכוּתו לְעולָם וָעֶד:
Wij smeken U, met de kracht van de grootheid van Uw rechterhand, bevrijd de gebondene; aanvaard het lied van Uw volk, verhef ons, reinig ons, Ontzagwekkende; wij smeken U, Machtige, behoed hen die Uw eenheid zoeken als de oogappel; zegen hen, reinig hen, ontferm U over hen, moge Uw gerechtigheid hen altijd belonen; Sterke en Heilige, leid Uw gemeente met Uw overvloedige goedheid; Enige en Verhevene, wend U tot Uw volk dat Uw heiligheid gedenkt; aanvaard onze smeekbede en hoor ons roepen, Kenner van verborgen dingen; Gezegend zij de naam van Zijn glorierijke koninkrijk voor eeuwig en altijd:
ביו"ט אין אומרים את התחינה שלאחר סדר הקרבנות:
Op een feestdag wordt de smeekbede na de orde van de offers niet gezegd:
רִבּון הָעולָמִים. אַתָּה צִוִּיתָנוּ לְהַקְרִיב קָרְבַּן הַתָּמִיד בְּמועֲדו וְלִהְיות כּהֲנִים בַּעֲבודָתָם וּלְוִיִּם בְּדוּכָנָם וְיִשרָאֵל בְּמַעֲמָדָם. וְעַתָּה בַּעֲונותֵינוּ חָרֵב בֵּית הַמִּקְדָּשׁ וּבָטֵל הַתָּמִיד. וְאֵין לָנוּ לא כהֵן בַּעֲבודָתו וְלא לֵוִי בְּדוּכָנו וְלא יִשרָאֵל בְּמַעֲמָדו. לָכֵן יְהִי רָצון מִלְּפָנֶיךָ. ה' אֱלהֵינוּ וֵאלהֵי אֲבותֵינוּ שֶׁיְּהֵא שיחַ שפְתותֵינוּ חָשׁוּב וּמְקֻבָּל וּמְרֻצֶּה לְפָנֶיךָ כְּאִלּוּ הִקְרַבְנוּ קָרְבַּן הַתָּמִיד בְּמועֲדו וְעָמַדְנוּ עַל מַעֲמָדו:
Meester van de werelden, U hebt ons geboden het voortdurende offer op zijn vastgestelde tijd te brengen, en de priesters bij hun dienst te zijn, en de Levieten op hun verhoog, en Israël op hun standplaats; en nu, vanwege onze zonden, is de Heilige Tempel verwoest, en is het voortdurende offer opgehouden; en wij hebben priester noch bij zijn dienst, noch Leviet op zijn verhoog, noch Israël op zijn standplaats; daarom, moge het Uw wil zijn, Eeuwige onze God en God van onze vaderen, dat de spraak van onze lippen beschouwd, aanvaard en welgevallig voor U zij alsof wij het voortdurende offer op zijn vastgestelde tijd hadden gebracht en op zijn standplaats hadden gestaan:
לר”ח:
Voor Rosj Chodesj:
וּבְרָאשֵׁי חָדְשֵׁיכֶם תַּקְרִיבוּ עלָה לה', פָּרִים בְּנֵי בָקָר שְׁנַיִם וְאַיִל אֶחָד, כְּבָשים בְּנֵי שָׁנָה שִׁבְעָה תְּמִימִים: וּשְׁלשָׁה עֶשרנִים סלֶת מִנְחָה בְּלוּלָה בַשֶּׁמֶן לַפָּר הָאֶחָד, וּשְׁנֵי עֶשרנִים סלֶת מִנְחָה בְּלוּלָה בַשֶּׁמֶן לָאַיִל הָאֶחָד: וְעִשּרן עִשּרון סלֶת מִנְחָה בְּלוּלָה בַשֶּׁמֶן לַכֶּבֶש הָאֶחָד, עלָה רֵיחַ נִיחחַ אִשֶּׁה לה': וְנִסְכֵּיהֶם, חֲצִי הַהִין יִהְיֶה לַפָּר, וּשְׁלִישִׁת הַהִין לָאַיִל, וּרְבִיעִת הַהִין לַכֶּבֶש יָיִן, זאת עלַת חדֶשׁ בְּחָדְשׁו לְחָדְשֵׁי הַשָּׁנָה: וּשעִיר עִזִּים אֶחָד לְחַטָּאת לה', עַל עלַת הַתָּמִיד יֵעָשה וְנִסְכּו:
En op het begin van uw maanden zult gij een brandoffer aan de Eeuwige offeren: twee jonge stieren, één ram, zeven gave eenjarige lammeren; en drie tienden fijn meel als spijsoffer, gemengd met olie, voor elke stier; en twee tienden fijn meel als spijsoffer, gemengd met olie, voor de ene ram; en een tiende fijn meel als spijsoffer, gemengd met olie, voor elk lam; een brandoffer, een welgevallige geur, een vuuroffer voor de Eeuwige; en hun plengoffers zullen een halve hin wijn voor een stier zijn, een derde van een hin voor de ram, en een vierde van een hin voor elk lam; dit is het brandoffer van elke maand door de maanden van het jaar heen; en één bok als zondoffer voor de Eeuwige, het zal geofferd worden naast het voortdurende brandoffer en zijn plengoffer:
אֵיזֶהוּ מְקומָן שֶׁל זְבָחִים. קָדְשֵׁי קָדָשִׁים שְׁחִיטָתָן בַּצָּפון. פָּר וְשעִיר שֶׁל יום הַכִּפּוּרִים שְׁחִיטָתָן בַּצָּפון וְקִבּוּל דָּמָן בִּכְלִי שָׁרֵת בַּצָּפון וְדָמָן טָעוּן הַזָּיָה עַל בֵּין הַבַּדִּים וְעַל הַפָּרכֶת וְעַל מִזְבַּח הַזָּהָב. מַתָּנָה אַחַת מֵהֶן מְעַכָּבֶת. שְׁיָרֵי הַדָּם הָיָה שׁופֵךְ עַל יְסוד מַעֲרָבִי שֶׁל מִזְבֵּחַ הַחִיצון אִם לא נָתַן לא עִכֵּב:
Wat is de plaats van de offers? De allerheiligste offers, hun slachting is in het noorden; de stier en de bok van de Verzoendag, hun slachting is in het noorden, en het opvangen van hun bloed in een dienstvat is in het noorden, en hun bloed vereist sprenkeling tussen de stangen, op het voorhangsel en op het gouden altaar; het weglaten van één van deze sprenkelingen maakt het ongeldig; het overblijvende bloed goot hij uit op het westelijke voetstuk van het buitenste altaar; als hij het niet uitgoot, maakte het het niet ongeldig:
פָּרִים הַנִּשרָפִים וּשעִירִים הַנִּשרָפִים. שְׁחִיטָתָן בַּצָּפון וְקִבּוּל דָּמָן בִּכְלִי שָׁרֵת בַּצָּפון וְדָמָן טָעוּן הַזָּיָה עַל הַפָּרכֶת וְעַל מִזְבַּח הַזָּהָב. מַתָּנָה אַחַת מֵהֶן מְעַכָּבֶת. שְׁיָרֵי הַדָּם הָיָה שׁופֵךְ עַל יְסוד מַעֲרָבִי שֶׁל מִזְבֵּחַ הַחִיצון. אִם לא נָתַן לא עִכֵּב. אֵלּוּ וָאֵלּוּ נִשרָפִין בְּבֵית הַדָּשֶׁן:
De stieren die verbrand worden en de bokken die verbrand worden, hun slachting is in het noorden, en het opvangen van hun bloed in een dienstvat is in het noorden, en hun bloed vereist sprenkeling op het voorhangsel en op het gouden altaar; het weglaten van één van deze sprenkelingen maakt het ongeldig; het overblijvende bloed goot hij uit op het westelijke voetstuk van het buitenste altaar; als hij het niet uitgoot, maakte het het niet ongeldig; zowel deze als die worden verbrand op de asplaats:
חַטּאת הַצִּבּוּר וְהַיָּחִיד. אֵלּוּ הֵן חַטּאת הַצִּבּוּר. שעִירֵי רָאשֵׁי חֳדָשִׁים וְשֶׁל מועֲדות שְׁחִיטָתָן בַּצָּפון וְקִבּוּל דָּמָן בִּכְלִי שָׁרֵת בַּצָּפון וְדָמָן טָעוּן אַרְבַּע מַתָּנות עַל אַרְבַּע קְרָנות. כֵּיצַד. עָלָה בַכֶּבֶשׁ וּפָנָה לַסּובֵב וּבָא לו לְקֶרֶן דְּרומִית מִזְרָחִית. מִזְרָחִית צְפונִית. צְפונִית מַעֲרָבִית. מַעֲרָבִית דְּרומִית. שְׁיָרֵי הַדָּם הָיָה שׁופֵךְ עַל יְסוד דְּרומִי. וְנֶאֱכָלִין לִפְנִים מִן הַקְּלָעִים. לְזִכְרֵי כְהֻנָּה. בְּכָל מַאֲכָל. לְיום וָלַיְלָה עַד חֲצות:
De zondoffers van de gemeenschap en van de enkeling, dit zijn de zondoffers van de gemeenschap: de bokken van Rosj Chodesj en van de feesten; hun slachting is in het noorden, en het opvangen van hun bloed in een dienstvat is in het noorden, en hun bloed vereist vier sprenkelingen op de vier hoeken; hoe zo? Hij beklom de helling en wendde zich naar de omloop en kwam tot de zuidoostelijke hoek, de noordoostelijke hoek, de noordwestelijke hoek, de zuidwestelijke hoek; het overblijvende bloed goot hij uit op het zuidelijke voetstuk; en zij worden gegeten binnen de voorhangsels door mannelijke priesters, op elke wijze bereid, een dag en een nacht tot middernacht:
הָעולָה קדֶשׁ קָדָשִׁים. שְׁחִיטָתָהּ בַּצָּפון וְקִבּוּל דָּמָהּ בִּכְלִי שָׁרֵת בַּצָּפון. וְדָמָהּ טָעוּן שְׁתֵּי מַתָּנות שֶׁהֵן אַרְבַּע. וּטְעוּנָה הֶפְשֵׁט וְנִתּוּחַ וְכָלִיל לָאִשִּׁים:
Het brandoffer is allerheiligst; zijn slachting is in het noorden, en het opvangen van zijn bloed in een dienstvat is in het noorden, en zijn bloed vereist twee sprenkelingen die vier zijn; en het vereist villen, in stukken delen en geheel verbranden:
זִבְחֵי שַׁלְמֵי צִבּוּר וַאֲשָׁמות. אֵלּוּ הֵן אֲשָׁמות. אֲשַׁם גְּזֵלות. אֲשַׁם מְעִילות. אֲשַׁם שִׁפְחָה חֲרוּפָה. אֲשַׁם נָזִיר. אֲשַׁם מְצרָע. אָשָׁם תָּלוּי. שְׁחִיטָתָן בַּצָּפון וְקִבּוּל דָּמָן בִּכְלִי שָׁרֵת בַּצָּפון. וְדָמָן טָעוּן שְׁתֵּי מַתָּנות שֶׁהֵן אַרְבַּע. וְנֶאֱכָלִין לִפְנִים מִן הַקְּלָעִים. לְזִכְרֵי כְהֻנָּה. בְּכָל מַאֲכָל. לְיום וָלַיְלָה עַד חֲצות: הַתּודָה וְאֵיל נָזִיר קָדָשִׁים קַלִּים. שְׁחִיטָתָן בְּכָל מָקום בָּעֲזָרָה. וְדָמָן טָעוּן שְׁתֵּי מַתָּנות שֶׁהֵן אַרְבַּע. וְנֶאֱכָלִין בְּכָל הָעִיר. לְכָל אָדָם. בְּכָל מַאֲכָל. לְיום וָלַיְלָה עַד חֲצות: הַמּוּרָם מֵהֶם כַּיּוצֵא בָהֶם. אֶלָּא שֶׁהַמּוּרָם נֶאֱכָל לַכּהֲנִים לִנְשֵׁיהֶם וְלִבְנֵיהֶם וּלְעַבְדֵיהֶם:
De vredeoffers van de gemeenschap en de schuldoffers, dit zijn de schuldoffers: het schuldoffer voor roof, het schuldoffer voor misbruik van heilige zaken, het schuldoffer voor een verloofde slavin, het schuldoffer van een nazireeër, het schuldoffer van een melaatse, het voorwaardelijke schuldoffer; hun slachting geschiedt in het noorden, en het opvangen van hun bloed in een dienstvat geschiedt in het noorden, en hun bloed vereist twee besprenkelingen die vier zijn; en zij worden gegeten binnen de gordijnen door mannelijke priesters, op elke wijze van bereiding, gedurende een dag en een nacht tot middernacht; het dankoffer en de ram van een nazireeër zijn van mindere heiligheid; hun slachting geschiedt overal in de voorhof, en hun bloed vereist twee besprenkelingen die vier zijn; en zij worden gegeten in de gehele stad door ieder mens, op elke wijze van bereiding, gedurende een dag en een nacht tot middernacht; wat ervan wordt afgezonderd is als zijzelf, behalve dat wat afgezonderd is gegeten wordt door de priesters, hun vrouwen, hun kinderen en hun dienaren:
שְׁלָמִים קָדָשִׁים קַלִּים. שְׁחִיטָתָן בְּכָל מָקום בָּעֲזָרָה. וְדָמָן טָעוּן שְׁתֵּי מַתָּנות שֶׁהֵן אַרְבַּע. וְנֶאֱכָלִין בְּכָל הָעִיר. לְכָל אָדָם. בְּכָל מַאֲכָל. לִשְׁנֵי יָמִים וְלַיְלָה אֶחָד: הַמּוּרָם מֵהֶם כַּיּוצֵא בָהֶם. אֶלָּא שֶׁהַמּוּרָם נֶאֱכָל לַכּהֲנִים לִנְשֵׁיהֶם וְלִבְנֵיהֶם וּלְעַבְדֵיהֶם:
Vredeoffers zijn van mindere heiligheid; hun slachting geschiedt overal in de voorhof, en hun bloed vereist twee besprenkelingen die vier zijn; en zij worden gegeten in de gehele stad door ieder mens, op elke wijze van bereiding, gedurende twee dagen en een nacht; wat ervan wordt afgezonderd is als zijzelf, behalve dat wat afgezonderd is gegeten wordt door de priesters, hun vrouwen, hun kinderen en hun dienaren:
הַבְּכור וְהַמַּעֲשר וְהַפֶּסַח קָדָשִׁים קַלִּים. שְׁחִיטָתָן בְּכָל מָקום בָּעֲזָרָה. וְדָמָן טָעוּן מַתָּנָה אֶחָת. וּבִלְבָד שֶׁיִּתֵּן כְּנֶגֶד הַיְסוד. שִׁנָּה בַאֲכִילָתָן. הַבְּכור נֶאֱכָל לַכּהֲנִים. וְהַמַּעֲשר לְכָל אָדָם. וְנֶאֱכָלִין בְּכָל הָעִיר. בְּכָל מַאֲכָל. לִשְׁנֵי יָמִים וְלַיְלָה אֶחָד: הַפֶּסַח אֵינו נֶאֱכָל אֶלָּא בַלַּיְלָה. וְאֵינו נֶאֱכָל אֶלָּא עַד חֲצות. וְאֵינו נֶאֱכָל אֶלָּא לִמְנוּיָיו. וְאֵינו נֶאֱכָל אֶלָּא צָלִי:
De eerstgeborene, de tiende en het pesachoffer zijn van mindere heiligheid; hun slachting geschiedt overal in de voorhof, en hun bloed vereist een besprenkeling, mits het tegenover de voet wordt geplaatst; hun vertering verschilt: de eerstgeborene wordt gegeten door de priesters, en de tiende door ieder mens, en zij worden gegeten in de gehele stad, op elke wijze van bereiding, gedurende twee dagen en een nacht; het pesachoffer wordt alleen 's nachts gegeten, en alleen tot middernacht, en alleen door hen die ervoor zijn aangemeld, en alleen gebraden:
רַבִּי יִשְׁמָעֵאל אומֵר. בִּשְׁלשׁ עֶשרֵה מִדּות הַתּורָה נִדְרֶשֶׁת:
Rabbi Jisjmaeel zegt: De Tora wordt uitgelegd volgens dertien beginselen:
א מִקַּל וָחמֶר.
1) Uit een gevolgtrekking van licht naar zwaar.
ב וּמִגְּזֵרָה שָׁוָה.
2) Uit een woordovereenkomst.
ג מִבִּנְיַן אָב מִכָּתוּב אֶחָד. וּמִבִּנְיַן אָב מִשְּׁנֵי כְתוּבִים.
3) Uit een grondregel afgeleid uit één vers, en uit een grondregel afgeleid uit twee verzen.
ד מִכְּלָל וּפְרָט.
4) Uit een algemene uitspraak gevolgd door een bijzonderheid.
ה וּמִפְּרָט וּכְלָל.
5) Uit een bijzonderheid gevolgd door een algemene uitspraak.
ו כְּלָל וּפְרָט וּכְלָל. אִי אַתָּה דָן אֶלָּא כְּעֵין הַפְּרָט.
6) Een algemene uitspraak, een bijzonderheid en een algemene uitspraak: men kan alleen afleiden wat gelijk is aan de bijzonderheid.
ז מִכְּלָל שֶׁהוּא צָרִיךְ לִפְרָט. וּמִפְּרָט שֶׁהוּא צָרִיךְ לִכְלָל.
7) Uit een algemene uitspraak die een bijzonderheid behoeft, en uit een bijzonderheid die een algemene uitspraak behoeft.
ח כָּל דָּבָר שֶׁהָיָה בִּכְלָל וְיָצָא מִן הַכְּלָל לְלַמֵּד. לא לְלַמֵּד עַל עַצְמו יָצָא. אֶלָּא לְלַמֵּד עַל הַכְּלָל כֻּלּו יָצָא.
8) Al wat in een algemene categorie viel en eruit werd gelicht om iets te leren, werd niet eruit gelicht om over zichzelf alleen te leren, maar om over de gehele algemene categorie te leren.
ט כָּל דָּבָר שֶׁהָיָה בִּכְלָל וְיָצָא לִטְעון טעַן אֶחָד שֶׁהוּא כְעִנְיָנו. יָצָא לְהָקֵל וְלא לְהַחֲמִיר.
9) Al wat in een algemene categorie viel en eruit werd gelicht om één aangelegenheid in zijn eigen categorie te behandelen, werd eruit gelicht om te verlichten, niet om te verzwaren.
י כָּל דָּבָר שֶׁהָיָה בִּכְלָל וְיָצָא לִטְעון טעַן אַחֵר שֶׁלּא כְעִנְיָנו. יָצָא לְהָקֵל וּלְהַחֲמִיר.
10) Al wat in een algemene categorie viel en eruit werd gelicht om een andere aangelegenheid te behandelen die niet in zijn eigen categorie valt, werd eruit gelicht om te verlichten en om te verzwaren.
יא כָּל דָּבָר שֶׁהָיָה בִּכְלָל וְיָצָא לִדּון בַּדָּבָר הֶחָדָשׁ. אִי אַתָּה יָכול לְהַחֲזִירו לִכְלָלו עַד שֶׁיַּחֲזִירֶנּוּ הַכָּתוּב לִכְלָלו בְּפֵרוּשׁ.
11) Al wat in een algemene categorie viel en eruit werd gelicht om als een nieuwe aangelegenheid te worden behandeld, kunt u niet terugbrengen tot zijn algemene categorie, tenzij het vers het uitdrukkelijk tot zijn algemene categorie terugbrengt.
יב דָּבָר הַלָּמֵד מֵעִנְיָנו. וְדָבָר הַלָּמֵד מִסּופו.
12) Een aangelegenheid afgeleid uit haar verband, en een aangelegenheid afgeleid uit haar slot.
יג וְכֵן נ"א וְכַאן שְׁנֵי כְתוּבִים הַמַּכְחִישִׁים זֶה אֶת זֶה. עַד שֶׁיָּבוא הַכָּתוּב הַשְּׁלִישִׁי וְיַכְרִיעַ בֵּינֵיהֶם:
13) En zo ook, hier en daar, twee verzen die elkaar tegenspreken totdat een derde vers komt en tussen hen beslist:
יְהִי רָצון מִלְּפָנֶיךָ ה' אֱלהֵינוּ וֵאלהֵי אֲבותֵינוּ שֶׁיִּבָּנֶה בֵּית הַמִּקְדָּשׁ בִּמְהֵרָה בְיָמֵינוּ. וְתֵן חֶלְקֵנוּ בְּתורָתֶךָ: וְשָׁם נַעֲבָדְךָ בְּיִרְאָה כִּימֵי עולָם וּכְשָׁנִים קַדְמונִיּות:
Moge het Uw wil zijn, Eeuwige, onze God en God van onze vaderen, dat de heilige Tempel spoedig in onze dagen herbouwd wordt, en geef ons ons deel in Uw Tora; en daar zullen wij U dienen met ontzag als in de dagen van weleer en als in vroegere jaren:
יִתְגַּדַּל וְיִתְקַדַּשׁ שְׁמֵהּ רַבָּא. [אמן]
Moge Zijn grote naam verheven en geheiligd worden; [Amen]
בְּעָלְמָא דִּי בְרָא כִרְעוּתֵהּ וְיַמְלִיךְ מַלְכוּתֵהּ בְּחַיֵּיכוֹן וּבְיוֹמֵיכוֹן וּבְחַיֵּי דְכָל בֵּית יִשְׂרָאֵל בַּעֲגָלָא וּבִזְמַן קָרִיב, וְאִמְרוּ אָמֵן.
In de wereld die Hij naar Zijn wil geschapen heeft, en moge Hij Zijn koningschap vestigen tijdens uw leven en in uw dagen, en tijdens het leven van het gehele huis van Jisraeel, spoedig en weldra, en zegt: Amen.
[אמן, יְהֵא שְׁמֵהּ רַבָּא מְבָרַךְ לְעָלַם וּלְעָלְמֵי עָלְמַיָּא]
[Amen, moge Zijn grote naam gezegend zijn voor eeuwig en in alle eeuwigheid]
יְהֵא שְׁמֵהּ רַבָּא מְבָרַךְ לְעָלַם וּלְעָלְמֵי עָלְמַיָּא: יִתְבָּרַךְ וְיִשְׁתַּבַּח וְיִתְפָּאַר וְיִתְרוֹמַם וְיִתְנַשֵּׂא וְיִתְהַדָּר וְיִתְעַלֶּה וְיִתְהַלָּל שְׁמֵהּ דְּקֻדְשָׁא. בְּרִיךְ הוּא. בריך הוא. [אמן]
Moge Zijn grote naam gezegend zijn voor eeuwig en in alle eeuwigheid; moge gezegend, geprezen, verheerlijkt, verhoogd, geroemd, geëerd, opgeheven en bezongen worden de naam van de Heilige, gezegend zij Hij; Gezegend zij Hij; [Amen]
לְעֵלָּא מִן כָּל בִּרְכָתָא וְשִׁירָתָא תֻּשְׁבְּחָתָא וְנֶחֱמָתָא דַּאֲמִירָן בְּעָלְמָא. וְאִמְרוּ אָמֵן. [אמן]
Boven alle zegeningen en lofzangen, lofprijzingen en vertroostingen die in de wereld worden uitgesproken; en zegt: Amen; [Amen]
עַל יִשְׂרָאֵל וְעַל רַבָּנָן. וְעַל תַּלְמִידֵיהוֹן וְעַל כָּל תַּלְמִידֵי תַלְמִידֵיהוֹן. וְעַל כָּל מַאן דְּעָסְקִין בְּאוֹרַיְתָא. דִּי בְאַתְרָא קַדִּישָׁא הָדֵין וְדִי בְכָל אֲתַר וַאֲתַר. יְהֵא לְהוֹן וּלְכוֹן שְׁלָמָא רַבָּא חִנָּא וְחִסְדָּא וְרַחֲמִין וְחַיִּין אֲרִיכִין וּמְזוֹנֵי רְוִיחֵי וּפֻרְקָנָא מִן קֳדָם אֲבוּהוֹן דְּבִשְׁמַיָּא וְאַרְעָא וְאִמְרוּ אָמֵן. [אמן]
Voor Jisraeel en voor de rabbijnen, en voor hun leerlingen, en voor alle leerlingen van hun leerlingen, en voor allen die zich met de studie van de Tora bezighouden, hetzij op deze heilige plaats of op enige plaats; moge er voor hen en voor u overvloedige vrede zijn, genade, goedertierenheid, ontferming, lang leven, ruime voorziening en verlossing van voor hun Vader in hemel en op aarde; en zegt: Amen; [Amen]
יְהֵא שְׁלָמָא רַבָּא מִן שְׁמַיָּא וְחַיִּים עָלֵינוּ וְעַל כָּל יִשְׂרָאֵל. וְאִמְרוּ אָמֵן. [אמן]
Moge er overvloedige vrede zijn uit de hemel en leven over ons en over heel Jisraeel; en zegt: Amen; [Amen]
עוֹשֶׂה שָׁלוֹם בִּמְרוֹמָיו הוּא יַעֲשֶׂה שָׁלוֹם עָלֵינוּ וְעַל כָּל יִשְׂרָאֵל וְאִמְרוּ אָמֵן. [אמן]
Hij die vrede sticht in Zijn hoogten, moge Hij vrede stichten over ons en over heel Jisraeel; en zegt: Amen; [Amen]