לַמְנַצֵּחַ עַל הַשְּׁמִינִית מִזְמוֹר לְדָוִד:
Voor de koorleider, op de scheminiet, een lied van David.
הוֹשִׁיעָה יְהוָה כִּי גָמַר חָסִיד כִּי פַסּוּ אֱמוּנִים מִבְּנֵי אָדָם:
Verlos, o Eeuwige, want de vromen zijn verdwenen, want de getrouwen zijn weg uit de mensenkinderen.
שָׁוְא יְדַבְּרוּ אִישׁ אֶת רֵעֵהוּ שְׂפַת חֲלָקוֹת בְּלֵב וָלֵב יְדַבֵּרוּ:
Men spreekt valsheid, de een tot de ander; met gladde lippen, met een dubbel hart spreken zij.
יַכְרֵת יְהוָה כָּל שִׂפְתֵי חֲלָקוֹת לָשׁוֹן מְדַבֶּרֶת גְּדֹלוֹת:
Moge de Eeuwige alle gladde lippen afsnijden, de tong die grote woorden spreekt.
אֲשֶׁר אָמְרוּ לִלְשֹׁנֵנוּ נַגְבִּיר שְׂפָתֵינוּ אִתָּנוּ מִי אָדוֹן לָנוּ:
Zij die zeggen: "Met onze tong zullen wij de overhand hebben; onze lippen zijn met ons. Wie is heer over ons?"
מִשֹּׁד עֲנִיִּים מֵאַנְקַת אֶבְיוֹנִים עַתָּה אָקוּם יֹאמַר יְהוָה אָשִׁית בְּיֵשַׁע יָפִיחַ לוֹ:
Vanwege de verdrukking van de armen, vanwege het kermen van de behoeftigen, zal Ik nu opstaan, zegt de Eeuwige; Ik zal heil schenken aan hem die ernaar smacht.
אִמֲרוֹת יְהוָה אֲמָרוֹת טְהֹרוֹת כֶּסֶף צָרוּף בַּעֲלִיל לָאָרֶץ מְזֻקָּק שִׁבְעָתָיִם:
De woorden van de Eeuwige zijn zuivere woorden, als zilver gelouterd in een smeltkroes in de aarde, zevenvoudig gezuiverd.
אַתָּה יְהוָה תִּשְׁמְרֵם תִּצְּרֶנּוּ מִן הַדּוֹר זוּ לְעוֹלָם:
Gij, o Eeuwige, zult hen bewaren; Gij zult hem behoeden voor dit geslacht, in eeuwigheid.
סָבִיב רְשָׁעִים יִתְהַלָּכוּן כְּרֻם זֻלּוּת לִבְנֵי אָדָם:
De goddelozen wandelen aan alle kanten rond, wanneer het laagste onder de mensenkinderen verheven wordt.