לַמְנַצֵּחַ לְדָוִד אָמַר נָבָל בְּלִבּוֹ אֵין אֱלֹהִים הִשְׁחִיתוּ הִתְעִיבוּ עֲלִילָה אֵין עֹשֵׂה טוֹב:
Voor de koorleider, van David; de dwaas zegt in zijn hart: er is geen God. Zij hebben verderfelijk gehandeld; zij hebben gruwelijke daden bedreven; er is niemand die goed doet.
יְהוָה מִשָּׁמַיִם הִשְׁקִיף עַל בְּנֵי אָדָם לִרְאוֹת הֲיֵשׁ מַשְׂכִּיל דֹּרֵשׁ אֶת אֱלֹהִים:
De Eeuwige ziet uit de hemel neer op de mensenkinderen, om te zien of er een verstandige is, die God zoekt.
הַכֹּל סָר יַחְדָּו נֶאֱלָחוּ אֵין עֹשֵׂה טוֹב אֵין גַּם אֶחָד:
Allen zijn afgeweken; tezamen zijn zij bedorven; er is niemand die goed doet, zelfs niet één.
הֲלֹא יָדְעוּ כָּל פֹּעֲלֵי אָוֶן אֹכְלֵי עַמִּי אָכְלוּ לֶחֶם יְהוָה לֹא קָרָאוּ:
Hebben zij dan geen kennis, al die bedrijvers van ongerechtigheid, die mijn volk verslinden zoals men brood eet; die de Eeuwige niet aanroepen?
שָׁם פָּחֲדוּ פָחַד כִּי אֱלֹהִים בְּדוֹר צַדִּיק:
Daar zijn zij door grote vrees bevangen, want God is in het geslacht van de rechtvaardige.
עֲצַת עָנִי תָבִישׁוּ כִּי יְהוָה מַחְסֵהוּ:
Gij beschaamt het voornemen van de arme, maar de Eeuwige is zijn toevlucht.
מִי יִתֵּן מִצִּיּוֹן יְשׁוּעַת יִשְׂרָאֵל בְּשׁוּב יְהוָה שְׁבוּת עַמּוֹ יָגֵל יַעֲקֹב יִשְׂמַח יִשְׂרָאֵל:
Och, dat uit Sion het heil van Israël kwame; wanneer de Eeuwige het lot van Zijn volk wendt, zal Jakob juichen, zal Israël zich verheugen.