לַמְנַצֵּחַ עַל אַיֶּלֶת הַשַּׁחַר מִזְמוֹר לְדָוִד:
Voor de koorleider, op de ajelet hasjachar, een lied van David.
אֵלִי אֵלִי לָמָה עֲזַבְתָּנִי רָחוֹק מִישׁוּעָתִי דִּבְרֵי שַׁאֲגָתִי:
Mijn God, mijn God, waarom hebt U mij verlaten? [U bent] ver van mijn heil [en] van de woorden van mijn gekreun.
אֱלֹהַי אֶקְרָא יוֹמָם וְלֹא תַעֲנֶה וְלַיְלָה וְלֹא דוּמִיָּה לִי:
Mijn God, ik roep overdag en U antwoordt niet, en 's nachts zwijg ik niet.
וְאַתָּה קָדוֹשׁ יוֹשֵׁב תְּהִלּוֹת יִשְׂרָאֵל:
Maar U bent heilig; U troont op de lofzangen van Israel.
בְּךָ בָּטְחוּ אֲבֹתֵינוּ בָּטְחוּ וַתְּפַלְּטֵמוֹ:
Onze voorouders vertrouwden op U; zij vertrouwden en U redde hen.
אֵלֶיךָ זָעֲקוּ וְנִמְלָטוּ בְּךָ בָטְחוּ וְלֹא בוֹשׁוּ:
Zij riepen tot U en zij ontkwamen; zij vertrouwden op U en zij werden niet beschaamd.
וְאָנֹכִי תוֹלַעַת וְלֹא אִישׁ חֶרְפַּת אָדָם וּבְזוּי עָם:
Maar ik ben een worm en geen man; een smaad van mensen, veracht door volken.
כָּל רֹאַי יַלְעִגוּ לִי יַפְטִירוּ בְשָׂפָה יָנִיעוּ רֹאשׁ:
Allen die mij zien bespotten mij; zij openen hun lippen, zij schudden hun hoofd.
גֹּל אֶל יְהוָה יְפַלְּטֵהוּ יַצִּילֵהוּ כִּי חָפֵץ בּוֹ:
Men moet zijn vertrouwen op de Eeuwige werpen, en Hij zal hem redden; Hij zal hem verlossen omdat Hij behagen in hem heeft.
כִּי אַתָּה גֹחִי מִבָּטֶן מַבְטִיחִי עַל שְׁדֵי אִמִּי:
Want U trok mij uit de schoot; U maakte mij veilig aan de borsten van mijn moeder.
עָלֶיךָ הָשְׁלַכְתִּי מֵרָחֶם מִבֶּטֶן אִמִּי אֵלִי אָתָּה:
Op U ben ik geworpen sinds mijn geboorte; van de schoot van mijn moeder af bent U mijn God.
אַל תִּרְחַק מִמֶּנִּי כִּי צָרָה קְרוֹבָה כִּי אֵין עוֹזֵר:
Houd U niet ver van mij, want de nood is nabij; want er is niemand om te helpen.
סְבָבוּנִי פָּרִים רַבִּים אַבִּירֵי בָשָׁן כִּתְּרוּנִי:
Grote stieren hebben mij omsingeld; de machtigen van Basjan hebben mij omringd.
פָּצוּ עָלַי פִּיהֶם אַרְיֵה טֹרֵף וְשֹׁאֵג:
Zij openden hun mond tegen mij [als] een verscheurende, brullende leeuw.
כַּמַּיִם נִשְׁפַּכְתִּי וְהִתְפָּרְדוּ כָּל עַצְמוֹתָי הָיָה לִבִּי כַּדּוֹנָג נָמֵס בְּתוֹךְ מֵעָי:
Ik werd uitgegoten als water, en al mijn beenderen werden ontwricht; mijn hart was als was, smeltend in mijn binnenste.
יָבֵשׁ כַּחֶרֶשׂ כֹּחִי וּלְשׁוֹנִי מֻדְבָּק מַלְקוֹחָי וְלַעֲפַר מָוֶת תִּשְׁפְּתֵנִי:
Mijn kracht werd verdroogd als een potscherf, en mijn tong kleeft aan mijn gehemelte; en U legt mij neer in het stof van de dood.
כִּי סְבָבוּנִי כְּלָבִים עֲדַת מְרֵעִים הִקִּיפוּנִי כָּאֲרִי יָדַי וְרַגְלָי:
Want honden hebben mij omsingeld; een bende boosdoeners heeft mij omringd, als een leeuw, mijn handen en voeten.
אֲסַפֵּר כָּל עַצְמוֹתָי הֵמָּה יַבִּיטוּ יִרְאוּ בִי:
Ik kan al mijn beenderen tellen. Zij kijken toe en weiden zich aan mij.
יְחַלְּקוּ בְגָדַי לָהֶם וְעַל לְבוּשִׁי יַפִּילוּ גוֹרָל:
Zij verdelen mijn kleren onder elkaar en werpen het lot over mijn gewaad.
וְאַתָּה יְהוָה אַל תִּרְחָק אֱיָלוּתִי לְעֶזְרָתִי חוּשָׁה:
Maar U, Eeuwige, houd U niet ver; mijn sterkte, haast U mij te hulp.
הַצִּילָה מֵחֶרֶב נַפְשִׁי מִיַּד כֶּלֶב יְחִידָתִי:
Red mijn ziel van het zwaard, mijn enige van de greep van de hond.
הוֹשִׁיעֵנִי מִפִּי אַרְיֵה וּמִקַּרְנֵי רֵמִים עֲנִיתָנִי:
Verlos mij uit de muil van de leeuw, zoals U mij antwoordde van de horens van de wilde ossen.
אֲסַפְּרָה שִׁמְךָ לְאֶחָי בְּתוֹךְ קָהָל אֲהַלְלֶךָּ:
Ik zal Uw Naam aan mijn broeders vertellen; te midden van de gemeente zal ik U prijzen.
יִרְאֵי יְהוָה הַלְלוּהוּ כָּל זֶרַע יַעֲקֹב כַּבְּדוּהוּ וְגוּרוּ מִמֶּנּוּ כָּל זֶרַע יִשְׂרָאֵל:
U die de Eeuwige vreest, prijs Hem; al het zaad van Jakob, eer Hem, en vrees Hem, al het zaad van Israel.
כִּי לֹא בָזָה וְלֹא שִׁקַּץ עֱנוּת עָנִי וְלֹא הִסְתִּיר פָּנָיו מִמֶּנּוּ וּבְשַׁוְּעוֹ אֵלָיו שָׁמֵעַ:
Want Hij heeft de roep van de arme niet veracht noch verafschuwd, noch heeft Hij Zijn aangezicht voor hem verborgen; en toen hij tot Hem riep, hoorde Hij.
מֵאִתְּךָ תְהִלָּתִי בְּקָהָל רָב נְדָרַי אֲשַׁלֵּם נֶגֶד יְרֵאָיו:
Door U is mijn lof in de grote gemeente; ik betaal mijn geloften in de tegenwoordigheid van hen die Hem vrezen.
יֹאכְלוּ עֲנָוִים וְיִשְׂבָּעוּ יְהַלְלוּ יְהוָה דֹּרְשָׁיו יְחִי לְבַבְכֶם לָעַד:
De nederigen zullen eten en verzadigd worden; zij zullen de Eeuwige prijzen, zij die Hem zoeken; uw harten zullen voor eeuwig leven.
יִזְכְּרוּ וְיָשֻׁבוּ אֶל יְהוָה כָּל אַפְסֵי אָרֶץ וְיִשְׁתַּחֲווּ לְפָנֶיךָ כָּל מִשְׁפְּחוֹת גּוֹיִם:
Alle einden van de aarde zullen gedenken en terugkeren tot de Eeuwige, en alle geslachten van de volken zullen zich voor U neerwerpen.
כִּי לַיהוָה הַמְּלוּכָה וּמֹשֵׁל בַּגּוֹיִם:
Want het koningschap is van de Eeuwige, en Hij heerst over de volken.
אָכְלוּ וַיִּשְׁתַּחֲוּוּ כָּל דִּשְׁנֵי אֶרֶץ לְפָנָיו יִכְרְעוּ כָּל יוֹרְדֵי עָפָר וְנַפְשׁוֹ לֹא חִיָּה:
Zij zullen al het beste van de aarde eten en zich neerwerpen; voor Hem zullen allen die in het stof neerdalen knielen, en Hij zal zijn ziel niet levend houden.
זֶרַע יַעַבְדֶנּוּ יְסֻפַּר לַאדֹנָי לַדּוֹר:
Het zaad dat Hem dient; het zal aan het geslacht verteld worden aangaande de Eeuwige.
יָבֹאוּ וְיַגִּידוּ צִדְקָתוֹ לְעַם נוֹלָד כִּי עָשָׂה:
Zij zullen komen en Zijn gerechtigheid vertellen aan het pasgeboren volk, dat wat Hij heeft gedaan.