לַמְנַצֵּחַ עַל (ידיתון) יְדוּתוּן לְאָסָף מִזְמוֹר:
Voor de koorleider op jedoetoen, een lied van Asaf.
קוֹלִי אֶל אֱלֹהִים וְאֶצְעָקָה קוֹלִי אֶל אֱלֹהִים וְהַאֲזִין אֵלָי:
Mijn stem is tot God, en ik zal roepen; mijn stem is tot God, geef acht op mij.
בְּיוֹם צָרָתִי אֲדֹנָי דָּרָשְׁתִּי יָדִי לַיְלָה נִגְּרָה וְלֹא תָפוּג מֵאֲנָה הִנָּחֵם נַפְשִׁי:
Op de dag van mijn nood zocht ik de Eeuwige; mijn wond vloeit 's nachts en houdt niet op; mijn ziel weigert getroost te worden.
אֶזְכְּרָה אֱלֹהִים וְאֶהֱמָיָה אָשִׂיחָה וְתִתְעַטֵּף רוּחִי סֶלָה:
Ik gedenk God en ik kreun; ik spreek en mijn geest wordt machteloos, voor eeuwig.
אָחַזְתָּ שְׁמֻרוֹת עֵינָי נִפְעַמְתִּי וְלֹא אֲדַבֵּר:
U hield de oogleden van mijn ogen open; ik ben verontrust en spreek niet.
חִשַּׁבְתִּי יָמִים מִקֶּדֶם שְׁנוֹת עוֹלָמִים:
Ik denk aan de dagen van vroeger, aan jaren van weleer.
אֶזְכְּרָה נְגִינָתִי בַּלָּיְלָה עִם לְבָבִי אָשִׂיחָה וַיְחַפֵּשׂ רוּחִי:
Ik herinner mij mijn snarenspel in de nacht; ik spreek met mijn hart en mijn geest doorzoekt.
הַלְעוֹלָמִים יִזְנַח אֲדֹנָי וְלֹא יֹסִיף לִרְצוֹת עוֹד:
"Zal de Eeuwige [mij] voor eeuwig verstoten en nooit meer goedgunstig zijn?
הֶאָפֵס לָנֶצַח חַסְדּוֹ גָּמַר אֹמֶר לְדֹר וָדֹר:
Is Zijn goedertierenheid voor altijd geëindigd? Heeft Hij een besluit uitgevaardigd voor alle geslachten?
הֲשָׁכַח חַנּוֹת אֵל אִם קָפַץ בְּאַף רַחֲמָיו סֶלָה:
Heeft God vergeten genadig te zijn? Heeft Hij in toorn Zijn ontferming voor eeuwig afgesloten?"
וָאֹמַר חַלּוֹתִי הִיא שְׁנוֹת יְמִין עֶלְיוֹן:
En ik zei: "Dit is mijn smart: de verandering van de rechterhand van de Allerhoogste."
(אזכיר) אֶזְכּוֹר מַעַלְלֵי יָהּ כִּי אֶזְכְּרָה מִקֶּדֶם פִּלְאֶךָ:
Ik gedenk de daden van Jah wanneer ik Uw wonder van oudsher herinner.
וְהָגִיתִי בְכָל פָּעֳלֶךָ וּבַעֲלִילוֹתֶיךָ אָשִׂיחָה:
En ik overpeins al Uw werken, en ik spreek van Uw daden.
אֱלֹהִים בַּקֹּדֶשׁ דַּרְכֶּךָ מִי אֵל גָּדוֹל כֵּאלֹהִים:
O God, Uw weg is in heiligheid. Wie is een macht zo groot als God?
אַתָּה הָאֵל עֹשֵׂה פֶלֶא הוֹדַעְתָּ בָעַמִּים עֻזֶּךָ:
U bent de God Die wonderen doet; U hebt Uw macht bekendgemaakt onder de volken.
גָּאַלְתָּ בִּזְרוֹעַ עַמֶּךָ בְּנֵי יַעֲקֹב וְיוֹסֵף סֶלָה:
U hebt Uw volk verlost met Uw arm, de zonen van Jakob en Jozef, voor eeuwig.
רָאוּךָ מַּיִם אֱלֹהִים רָאוּךָ מַּיִם יָחִילוּ אַף יִרְגְּזוּ תְהֹמוֹת:
De wateren zagen U, o God, de wateren zagen U, zij beefden, ook de diepten sidderden.
זֹרְמוּ מַיִם עָבוֹת קוֹל נָתְנוּ שְׁחָקִים אַף חֲצָצֶיךָ יִתְהַלָּכוּ:
De wolken stortten dikke wateren uit; de luchten lieten een stem horen, ook Uw pijlen vlogen rond.
קוֹל רַעַמְךָ בַּגַּלְגַּל הֵאִירוּ בְרָקִים תֵּבֵל רָגְזָה וַתִּרְעַשׁ הָאָרֶץ:
Het geluid van Uw donder is als een wiel; de bliksem verlichtte de wereld; de aarde beefde en sidderde.
בַּיָּם דַּרְכֶּךָ (ושביליך) וּשְׁבִילְךָ בְּמַיִם רַבִּים וְעִקְּבוֹתֶיךָ לֹא נֹדָעוּ:
In de zee was Uw weg, en Uw pad in de machtige wateren, en Uw voetsporen werden niet gekend.
נָחִיתָ כַצֹּאן עַמֶּךָ בְּיַד מֹשֶׁה וְאַהֲרֹן:
U leidde Uw volk als schapen door de hand van Mozes en Aäron.