De rode koe
De parasja opent met een van de meest raadselachtige geboden van de Tora, de wet van de para adoema, de rode koe. Haar as, vermengd met vers water, reinigt wie onrein is geworden door aanraking met de dood, en herstelt hem in het kamp en zijn heiligheid. Toch worden in een treffende tegenstrijdigheid juist zij die deze reinigende wateren bereiden en sprenkelen daarbij zelf onrein. De Tora noemt dit een chok, een inzetting wier reden het volle menselijke bevatten te boven gaat, en die uitnodigt tot vertrouwen op God, ook waar het begrip ophoudt. Het is een passende toegangspoort tot een parasja vol van het mysterie van leven, dood en goddelijke wil.
Water en verlies
Mirjam, de profetes en zuster van Mosje (Mozes) en Aharon (Aäron), sterft te Kadesj, en meteen komt het volk zonder water te staan. Zij twisten bitter, en God draagt Mosje op tot een rots te spreken zodat die water zal geven voor de hele gemeenschap. In plaats daarvan slaat Mosje, in een ogenblik van woede, tweemaal op de rots, en hoewel er water uit gutst, zegt God hem en Aharon dat zij Israël niet het Land zullen binnenleiden omdat zij Hem niet heiligden voor het volk. De reis voert het volk verder naar de berg Hor, waar Aharon sterft en zijn zoon Elazar (Eleazar) de priesterlijke gewaden in zijn plaats opneemt. Heel Israël weent om Aharon dertig dagen, treurend om de zachtmoedige vredestichter die hen sinds Egypte had geleid.
Slangen en gezang
Op zoek naar de meest directe route vraagt Israël de koning van Edom om veilige doortocht, maar hij weigert en trekt tegen hen op, wat een lange omweg afdwingt. Wanneer de Kanaänitische koning van Arad aanvalt en gevangenen neemt, wijden de mensen zich aan God en behalen een beslissende overwinning. Toch putten de ontberingen van de weg hen uit, en zij spreken tegen God en tegen Mosje, klagend over het manna en het gebrek aan water. Als antwoord komen giftige slangen in het kamp, en nadat het volk berouw toont, draagt God Mosje op een koperen slang te maken en op een paal te zetten, zodat allen die ernaar omhoog en naar de Hemel kijken genezen worden. Hersteld reist het volk verder, zingend het vreugdevolle Lied van de Bron, God dankend voor het water dat hen in leven houdt.
Koningen van de Amorieten
Terwijl Israël naar de Jordaan oprukt, vragen zij vreedzame doortocht door het land van Sichon, koning van de Amorieten, maar hij verzamelt zijn leger en valt aan. Israël verslaat hem en neemt zijn gebied in bezit, keert zich dan tegen Og, de reuzenkoning van Basjan, die eveneens voor hen valt. Deze dubbele overwinningen brengen de oostelijke landen onder Israëls beheer en vervullen de omringende volken met angst. De parasja pauzeert wanneer het volk zich legert op de vlakten van Moav (Moab), aan de overzijde van de Jordaan tegenover Jericho, gereed op de drempel van het Beloofde Land.
Balaks oproep
Terwijl hij dit alles aanschouwt, wordt Balak, zoon van Tsippor, koning van Moav, gegrepen door vrees voor de reusachtige natie aan zijn grens. Ervan overtuigd dat hij Israël niet met het zwaard kan verslaan, zendt hij boden om Bilam (Bileam), zoon van Beor, een vermaarde niet-Joodse profeet, in te huren om te komen en hen te vervloeken. God waarschuwt Bilam niet te gaan, staat het hem dan toe op voorwaarde dat hij alleen Gods woorden spreekt, en Bilam gaat op weg. Onderweg verspert een engel van God, met getrokken zwaard, het pad, alleen zichtbaar voor Bilams ezelin, die uitwijkt en ten slotte stilhoudt en luidop protesteert. God opent Bilams ogen om de engel te zien, en hem wordt nogmaals gezegd niets te zeggen dan de woorden die in zijn mond zijn gelegd.
Vloeken veranderd in zegen
Balak brengt Bilam naar drie hoogten met uitzicht op het kamp van Israël, bouwt altaren en brengt offers, zeker dat vandaar de vloek eindelijk zal komen. Maar telkens als Bilam zijn mond opent, stroomt er zegen uit in plaats van de vloek waarvoor Balak betaalde. Hij prijst een volk dat veilig en afgezonderd woont, zo ontelbaar als het stof, en spreekt de woorden die Joden nog elke morgen reciteren: Mah tovoe ohalecha Jaakov, hoe goed zijn uw tenten, o Jaakov (Jakob). Vooruitblikkend naar de toekomst voorziet hij een ster die opgaat uit Jaakov en een scepter uit Israël, een visioen van het blijvende lot van de natie. Balak, woedend dat zijn plan slechts lof heeft opgeleverd, stuurt Bilam met lege handen weg.
De zonde bij Peor
Het gevaar dat Balak van buitenaf niet kon bereiken komt al gauw van binnenuit. De mannen van Israël worden aangetrokken tot de vrouwen van Moav en Midjan, doen mee aan het aanbidden van de afgod Baäl Peor, en een verwoestende plaag breekt uit in het kamp. Terwijl de crisis woedt, brengt een Israëlitische vorst openlijk een Midjanitische vrouw voor de ogen van Mosje en het wenende volk. Pinchas (Pinehas), zoon van Elazar, staat op, grijpt een speer, en brengt in één beslissende daad van ijver voor God de plaag tot staan, al zijn er dan al vierentwintigduizend gestorven. De parasja eindigt op deze ontnuchterende noot, met de beloning voor Pinchas achtergehouden tot de volgende lezing.
